' iRi O^"^ JAARBOEK KONIJSTKLIJKE AKADEMIE .co f WETENSCHAPPEN GEVESTIGD AMSTERDAM, 1880. lïbrary NEW VORK «OfANlCAL Si >^^:^=T^:^>d^èk2^i?^!=^^- AMSTERDAM, JOHANNES MULLER. Gedrukt bij De Roever-Kröber-Bakels. — Amsterdam. INHOUD. Bladz. Staat van de koninklijke akademie van wetenschappen, OP DEN 24sten apkil des jaaks 1880 III. Alphabetische lijst der gewone leden, couhespondenten in de overzeesche bezittingen van het rijk en buiten- landsche leden, sedert de oprichting in 1851 .... X. Lijst der binnen- en btjitenlandsche akademiën, geleerde genootschappen en instellingen, waarmede de akademie door wederkeerige ruiling der uitgegeven werken in verbinding is xxi. Reglement voor de koninklijke akademie van weten- schappen XXXIII. Reglement vau Orie voor cle Afdeeling Wis- en Natuurkun- dige Wetenschappen ' XLI. Reglement van Orde voor de Afdeeling Taal-, Letter-, Ge- schiedkundige en Wijsgeerige Wetenschappen XLIX. Bericht omtrent wijzigingen in de algemeene bepalingen van de reglementen van orde LX. Vrijdom van Briefport LXIII. Programma certaminis poetici ab academia regia disciplinarum Neerlandica ex legato Hoeuiftiano indicti iu annum MDCCCLXXX LXIV. Proces-verbaal van de vereenigde vergadering der beide afdeelingen lxvii . Inleiding LXIX. Proces- Verbaal van de Vereenigde Zitting der beide Afdee- lingen, gehouden den 24sten April 1880 LXXI. Bladz, Terslag van den ataat en de werkzaamheden aan Z. M. den Koning LXXII, Rekening en Verantwoording van het door den Algemeenen Secretaris over het jaar 1879 — 1880 gehouden beheer. . . Cl. Rekening en Verantwoording van het door den Algemeenen Secretaris over het jaar 1879 — 1880 gehouden beheer van het legaat Hoeufft CVI. Rekening en Verantwoording van het door den Algemeenen Secretaris over het jaar 1879 —1880 gehouden beheer van het Fonds voor de Leeuwenhoek-Medaille, 1875—1880 . . CVII. Memorie van Toelichting bij de Rekening en Verantwoording. CVIII. Verslag over de Rekening CIX. Begrootiug van Inkomsten en Uitgaven, gaande van 1" April 1880 tot 1» April 1881 // CX. Verslag en voorstellen van de Hooger-Onderwijs- Commissie aan de Vereenigdc zitting in April 1880 CXI. Rapport der Hooger-Ouderwijs-Commissie uit de beide Afdee- lingen CXVII. Verslag vau den Heer L. Ph. C. van dkn Bekgh, namens de Charter-Commissie CXXXV. Verslag aangaande de Boekerij en het Munt- en Penning- kabinet CXXXVII. Ontwerp van een schrijven aan Z. E. den Minister van Bin- nenlandsche Zaken over een tocht naar de Poolstreken. . CXL. Overgang van den voorrang der Akademie op de Afdeeling Taal-, Letter-, Geschiedkundige en Wijsgeerige Weten- schappen CXLIV. Brief aan Z. Exc. den Minister van Binnenl. Zaken over het verbinden van Directeurswoningen aan Laboratoria, Observatoria, Musea, enz CXLV. Levensbericht vau Rudolph Herman Christiaan Carkl SCHEFFER, door K. W. VAN G0RK.OM J Levensbericht van Jhr. Mr. J. K. J. de Jonge, door P. J, Veth . 22 . ' N A A. M L IJ S T DER GE\)C^ONE LEDEN, CORRESPONDENTEN IN DB OVERZEESCHE BEZITTINGEN VAN HET RIJK EN BUITENLANDSCHE LEDEN VAN DE KONINKLIJKE AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN. Jaakboek IbSO, A STAAT VAN DE KONINKLIJKE AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN OP DEN 24sten APEIL DES JAAES 1880. BESTUUR DER ACADEMIE gedurende het Academiejaar van April 1880 — April 1881. ALGEMEENE VOORZITTER, C. W. OPZOOMER. ALGEMEENE SECRETARIS, C. A. J. A. OUDEMANS. Afdeeling voor de Taal-, Letter-., Geschiedkundige en Wijsgeerige Wetenschappen. VOORZITTER, C. W. OPZOOMER. ONDER- VOORZITTER, S. A. NABER. SECRETARIS, J. C. G. BOOT. Afdeeling Wis- en Natuurkundige Wetenschappen. VOORZITT'ER, F. C. DONDERS. ONDER- VOORZiriER, C. J. MATTHES. SECRETARIS, C. A. J. A. OUDEMANS. IV Afdeeling voor de Taal-, Letter-, Geschiedkandiye en Wijsgeerige Wetenschappen, Gewone Leden. R. p. A. DOZY, te Leiden, M. DE VRIES, te Leiden, w. G. BRILL, te Utrecht. w. j. A. joNCKBLOET, te Leiden. 3. DE AVAL, te Deventer. j. DiRKs, te Leeuwarden. c. w. OPZOOMER, te Utrecht. j. H. SCHOLTEN, te Leiden. w. j. KNOOP, te ^sGravenhage. G. DE VRIES Az., te 's Gravenhage. 3. c. G. BOOT, te Amsterdam. M. H. GODEYROi, te 's Gi'ttvenhage. w. c. MEES, te Amsterdam. N. BEETs, te Utrecht. R. j. FRUIN, te Leiden. B. j. LiNTELo DE GEER, te Utrecht. A. KUENEN, te Leiden. 3. KAPPEYNE VAN DE COPPELLO, te 'ó' Gravenhage. D. HARTING, te LJnkhuizen. s. VISSERING, te ^ s Gravenhage, 3. E. GouDSMiT, te Leiden. 3. P. six, te Amsterdam. p, j. VETH, te Leiden. s. A. NABER, te Amsterdam. TH. BORRET, te Vogelenzang. c. M. FRANCKEN, te Utrecht. s. HOEKSTRA BZ., te Amsterdam, H. KERN, te Leiden, j. T. BUYS, te Leiden. j. A. FRUIN, te Utrecht. E. T. H. p. L. A. VAN BONEVAL FAüEE, te Leiden, B. D. H. TELLEGEN, te Groningen. ^ B. H. c. K. VAN DER wiJCK, te Groningen. M. j. DE GOEJE, te Leiden. H. VAN HERWERDEN, te Utrecht. c. vosMAER, te 's Gravenhage. 5. p. N. LAND, te Ijeiden. 3. G. DE HOOP SCHEPPER, te Amsterdam. TH. JORissEN, te Amsterdam. M. F. A. G. CAMPBELL, te 's Gravcnhage. p. DE JONG, te Utrecht. 3. 6. R. ACQüOY, te Leiden. p. J. cosiJN, te Leiden. H. p. G. QUACK, te Amsterdam, A. A. DE PiNTO, te ^s Gravenhage. T. M. c. ASSER, te Amsterdam. j. HABETS, te Oud-Vroenhoven. Rustende Leden. G. MEES AZ., te Rotterdam, 3. H. HOLWERDA, te Voorschoteu. L. A. j. w. SLOET, te Arnhem. L. PH. c. VAN DEN BERGH, te 's Grüvenkage. (.'. LEEMANS, te Leiden. VI Correspondenten in de Overzeesehe bezittingen van het Ryk. B. F. MATTHBS, te Mcikasser, j. A. VAN DER CHIJS, te Batavia. H. NEUBRONNER VAN DER TUÜK, Op BalL K. F. HOLLE, te Garoet {Preanger RegentscL). H. D. LEVYSSOHN NORMAN, te Batavia. L. w. c. VAN DEN BERG, te Batavia. Buitenlandsche Leden, H. L. FLEiscHER, te Leipzig. L p. GACHARD, te Brussel. c. R. LEPSius, te Berlijn. 3. N. MAüViG, te Kopenhagen. LEOPOLD RANKE, te Berlijn. A. R. RANGABÉ, te Athene. TH. MOMMSEN, te Berlijn. H c. RAWLiNSON, te Londen. F. c. CHABAS, te Chalons sur Saóne. V. DURUY, te Parijs. A. RÉviLLE, te Parijs. R VON JHERING, te Göttingen. MAX MULLER, te Oxford. J. T. J. HEREMANS, te Gent. j. c. BLUNTSCHLi, te Heideïberg. Q. B. Rossi, te Rome. T. NÖLDEKE, te Straatsburg. D. CARUTTi, te Rome. G. STXJDERMUND, te Straatsburg. B. wiNDSCHEiD, te Leipzig. TO Afdeeling voor de Wis- en Natuurkundige Wetenschappen, Gewone Ledeu. c. j. MA.TTHES, te Amsterdam. F. c. DONDERS, te Utreclit. P. HARTING, te Utrecht. c. H. D. BUiJS BALLOT, te Utrecht. J. A. c. OUDEMANS, te Utrecht. D. BiERENs DE HAAN, te Leiden. 3. H. A. BOSQUET, te Maastricht. A. w. M. VAN HASSELT, te 's Gravenliagc. M. c. VERLOREN, op Schothorst bij Amersfoort. j. VAN GOGH, tydelijk te Batavia» c. A. J. A. OUDEMANS, te Amsterdam. E. H. voN BAUMHAUER, te Haarlem. p. M. BRUTEL DE LA RiviERE, te Leiden. j. BOSSCHA, te Delft. N. w. p. RAUWENHOFF, te Utrecht. p. L. RIJKE, te Leide?!. A. HEYNsius, te Leiden. G. VAN DIESEN, te Middelburg. w. KOSTER, te Utrecht. G. F, W. BAEHR, te Delft. w. F. R suRiNGAR, te Leiden. A. C. OUDEMANS JR., te Delft. c. H. c. GRiNWis, te Utrecht. c. M. VAN DER SANDE LACOSTE, te Amsterdam, TH. w. ENGELMANN, te Utrecht. 3. E. T. ORTT, te Haarlem. 3. ZEEMAN, te Amsterdam. H. G. VAN DE SANDE BAKHUIJZEN, te Leiden, 3. M. VAN BEMMELEN, te Leiden. vm B. J. TiDEMAN, te Amsterdam. c. K. HOFFMANN. te Leiden. T. ZAAiJER, te Leiden. R. A. MEES, te Groningen. T. PLACE, te Amsterdam. TH. H. MAC GiLLAVRY, te Leiden. j. w. GUNNING, te Amsterdam. F. J. VAN DEN BERG, te Delft. j. D. VAN DER WAALS, te Amsterdam ED. MULDER, te Utrecht. H. c. DiBBiTS, te Utrecht. TH. H. BEHRENS, te Delft. H. DE VRLES, te Amsterdam. A. p. N. FRANCHIMONT, te Leiden. N. T. MiCHAËLis, 's Gravenhage. M. TREUB, te Voorschoten. 3. J. STOKVIS, te Amsterdam. CH. M. SCHOLS, te Delft. Rustende Leden. J. p. DELPRAT, te 's Gravenhage. H. SCHLEGEL, te Leiden. F. j. STAMKART, te Amsterdam. j. w. L. VAN OORDT, te 's Gravenhage. 3. VAN GEUNS, te Amsterdam. IX Correspondenten in de Overzeesche bezittingen van het Rijk. j. E. TEYSMANN, te Buiteiizorg op Java. p. A. BEEGSMA, te Batavia. K. w. VAN GORKOM, op Java (tijdelijk in Nederland). R. D. M. VERBEEK, te Padang. i. c. BERNELOT MOENS, te Batavia. Buitenlandsche Leden. H. K. w. BERGHAüS, te Potsdam. j. B. DUMAS, te Parijs. R. owEN, te Londen, p. j. VAN BENEDEN, te Leuven. G. B. AiEY, te Greenwich. H. HELMHOLTZ, te Berlijn. A. w. HOFMANN, te Berlijn. R viRCHOW, te Berlijn. H. E. GÖPPERT, te Breslau. H. MiLNE EDWARDS, te Parijs. w. WEBER, te Göttingen. CHS. DARWiN, te Down, Beckenham, Kent. 3. PLATEAU, te Gent. wiLLiAM THOMSON, te Glasgow. OTTO STRTJVE, te St. Petersburg. p. wÖHLER, te Göttingen. T. L. w. voN BiscHOFF, te Münchcn. A. DE CANDOLLE, te Genève. .VLPHABETISCHE LIJST DER GEWONE LEDEN, CORRESPONDENTEN IN DE OVEKZBESCHE BEZITTINGEN VAN HET RIJK EN BUITENLANDSCÏÏE LEDEN VAN DE KONINKLIJKE AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN, SEDERT DE OPRICHTING IN 1851. NB. [)e letter L. beteckent a;ewooD Lid. c. ('ürresjiondtnt. B. L. Buitenlandsch Lid. R. L. " Rustend I-id. a. N. II Afdeeling Natuurkuude a. L. Afdeeling Letterkunde. Ackersdijk, (J.) te Utrecht, L. a. L. 23 Febr. 1855. R. L. 1861. Overi. 13 Juli 1861. Acqiioy, (J. G. R.) te Leiden, L. a. Assen, (C. J. van) te Leiden, L. a Arago, (D. F. J.) te Parijs, B. L. a. N. 26 0ct. 1851. Overl. 3 0ct. 1853. L. 19 April 1877. Airy, (G. B.) te Greenwich, B. L. a. N. 4 Mei 1859. L. 23 Febr. 1855. R. L. 1858. Overl. 13 Sept. 1859. B. Baehr, (G. F. W.) te Belft^ L. a. Baer,(K.E. von)tei)o?7J het adres ivorden gewaarmerkt met hunne eigenhandige naamteekening, onder vermelding der ambts- betrekking, ivaarin aanspraak op vrijstelling icordt ge- maakt. {al 3). De waarmerking van brieven, afkomstig van collegiën of commissiën, geschiedt door den voorzitter, of wel door den secretaris of griffier. LXIV PROGRAMMA certaminis poeïici ab academia eegia ÜISCIPLINAEUM NEERLANDICA EX LEGATO HOEUFFTIANO INDICTI IN ANNUM MDCCCLXXX, De carminibus superiori anno luissis in conventu Ordinis litterarii a. d. VIII ld. Martias habito sic pronuntiatum est: Carnien Artes christianae ah interitu vindicatae, quum le- gibus certaminis non pareret, sepositum est. Poemata, quae inscribuntur, Mons Regalis et rara adia- centia, In Mediolani peste exiviia Diri Caroli Borromei ca- ritas, Loca Sacra, Ficedulae, In rejjali puella Margarita Beatrice Eleonora, Jilia wiperialis principis Frederici Wil- helmi, Unio Itala-Germanica signijicatur, longumque carmen de Pio IX Bont. Max. cuni adiecto breviore Leone XIII ad Supremum pontijivatum evecto, variis de causis in sententia iudicum allatis non tantum supra mediocritatem excellere exis- tiniata sunt ut insigni laude digna viderentur. Neque elegia ad Alexandrum principem Arausiacum, quae sermone puro et numeroso illa vincit, bis virtutibus compensat, quae in ea desiderantur. Illis praestare visa sunt carmiua Ad Eugeniani Augustam in funere filii Aloijsii Eugenii Napoleonis Consolatio ei Lacus Alhanus. Utriusque poeta argumentum, quod sibi elegit, ita tractavit ut cum mentione honorifica editionem carminis sui sumptu legati Hoeufftiani obtinere possit. Omne vero punctum tulit misceudo utile dulci, qui satiram fecit in mulieres emancipatas, eamque instruxit sententia Ovidii: Fugere pudor verumque Jidesqiie. Ei igitur praemium aureum decretum est. Aperta scidula eo lemmate inscripta prodiit nomen Petri Esseiva Friburgensis Helvetii. LXV Consolationis ad Eugeuiaiu Augustaiu auctorem se professus est Franciscus Pavesi Mediolanensis. Qui Laciim Albanum cecinit, nondiim scidulae aperiendae verdam dedit. Novum certameu liis legibus indicitur, ut carmina ei desti- nata, ueque ex alia lingua translata neque ante edita nee L versibus minora nitide et ignota iudicibus manu scripta sumptibus poetarum ante Kalendas lauuarias anni proximi mittantur loanni C. G. Boot, Ordini litterario Academiae ab actis, munita sententia, quae et ipsa inscribenda est scidulae obsignatae, quae nomen et patriam poetae continebit. Paaeraium victoris erit numus aureus CC florenorum. Car- meu ]3raemio ornatum typis describetur eique addentur alia, quae illo honore digna iudicabuntur poetis non invitis. In conventu legitimo Ordinis mense Martio exitus certa- minis promulgabitur, scidulaeque non probatis carminibus additae comburentur. C. G. OPZOOMEPt, Amstelodami Idib. April. Ordinis Praeses. MDCCCLXXX. Jaarboek 1880. E PROCES-VERBAAL Vereenigie YerpfleriM 4er Mt kïMiim KONINKLIJKE AKADEfflE VAN WETENSCHAPPEN. E* INLEIDING. Tot de Vereenigde Vergaderins; van de beide Afdeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, gevestigd te Amsterdam, waren de Leden met den volgeuden brief op- geroepen : Amsterdam, den 17<ï'^n April 1880. Ik heb de eer U te noodigen op Satiirdag den 24*ten April e. k. des morgens te Elf uren en Dei'tig minuten, tot eene Vereenigde Vergadering van de heide Afdeelingen der Ko- ninkUjke Akcidemie van Wetenschappen, voorgeschreven bij Art. 12 van het Organiek Reglement. C. A. J. A. OUDEMANS, Algemeene Secretaris. ONDERWERPEN VAN BEHANDELING. 1'^. Ontwerp-Verslag van den staat en de werkzaamheden der Academie in het afgeloopen Academiejaar. 2*^. Rekening en Verantwoording van den Algenieenen Secretaris over het jaar 1870 — 1880, en Rapport van de Heeren van der Waals, Engelmann, Six en Francken, door de twee Afdeelingen der Academie in Commissie benoemd tot het nazien daarvan, LXX 3^. Raming der Ontvangsten en Uitgaven over 1880 — 1881. 40. Verslag en voorstellen van de Hooger-Onderwijs-Com- missie. 5*^. Verslag van de Charter-Commissie. 6^. Verslag aangaande de Boekerij en het Munt- en Pen- ningkabinet. 7^. Ontwerp van een schrijven der Academie aan Z. E. den Minister van Binnenlandsche Zaken, naar aanlei- ding van een bij het Bestuur ingekomen brief van den Hoogleeraar Buus Ballot, waarin de zedelijke steun der Academie bij 's Lands Regeering wordt ingeroepen, opdat deze gelden beschikbaar stelle ter deelneming van Nederland aan het internationale plan om een jaar lang synchronische waarnemingen van meteorolo- gische en magnetische verschijnselen te doen in de uoorder-poolstreken. 8^. Verwisseling van den voorrang der Afdeelingen. PKOCES-VERBAAL VereeniEie YerpieriDE Ier k\t kïMnm KONINKLIJKE AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN, GEHOUDEN DEN 24sten aPEIL 1880, DES MOUGENS TE HALF TWAALF UREN. Algemeene Voorzitter . . f. c. donders. Algemeene Secretaris . . c. a. j. a. oudemans. Tegenwoordig de Heeren: gunning, kuenen, franchimont, LAND, DE JONG, MICHAËLIS, NABER, RAUWENH0FF, KERN, OPZOO- MER, VON BAUMHAUER, RIJKE, VAN HASSELT, LEEMANS, VAN DEN BERG, HOEKSTRA BZ., DE HOOP SCHEFFER, ENGELMANN, BEETS, H. DE VRIES, J. A. C. OUDEMANS, BRILL, BOOT, CAMPBELL, W. C. MEES, VAN DER WAALS, PLACE, BUYS BALLOT, STAMKART, BAEHR, BIERENS DE HAAN, DIBBITS eil STOKVIS. Lxxn De Voorzitter opent de Yergadering. I. De Algemeeue Secretaris leest daarop het door hem ontworpen Yerslag voor van den staat en de werkzaam- heden der Academie, aldus luidende: — SIRE! De KoninMijke Akademie van Wetenschappen acht het een voorrecht, uwe Majesteit opnieuw het Verslag harer Werkzaamheden over den verstreken tijdkriug te mogen aan- bieden, omdat zij hoopt daardoor het bewijs te leveren, dat die instelling blijft voldoen aan de verwachting, welke men zich daarvan bi] hare stichting had voorgesteld. De Akademie werd gedurende haar vacantietijd in 1879 door uwer Majesteits Regeering geraadpleegd over het aan- brengen van bliksemafleiders op het magazijn aan de Geer en op de verschillende constructie-werkplaatsen, stapelmaga- z^nen enz. te Delft, en zulks naar aanleiding van een ver- schil in meening tusschen den eerstaanwezenden Ingenieur te 's Gravenhage, die een vrij groot getal bliksemafleiders noodig rekende om die gebouwen tegen brandgevaar te beschermen, en het gemeentebestuur van Delft, 'twelk, bijgestaan door den gemeente-architect aldaar, van oordeel was, dat men met een veel geringer aantal dier werktuigen volstaan kon. De Heeren Rijke, Bosscha en van der Waals, die in de Sep- tember- vergadering der Akademie — de eerste na het reces — in Commissie waren gesteld om de Natuurkundige AfdeeUng in deze te dienen van voorlichting en raad, brachten, na een plaatselijk onderzoek, in de November-vergadering verslag uit van hunne bevindingen, waarvan de slotsom was, dat het brengen van één bliksemafleider aan het torentje op het gebouw aan de Geer; een tweeden op de portierswoning Lxxin bij de patronenfabriek eu de ijzergieterij, eu een derden op de patronenfabriek zelve, al was wat gedaan behoorde te worden om het inslaan van den bliksem in de, nader in de missive des Ministers van Oorlog omschreven, gebouwen te voorkomen. De Afdeeling vereenigde zich met dit advies en had de eer, den zooeven genoemden Minister hiervan kennis te geven en tevens het rapport harer Commissie in afschrift aan te bieden. Men vindt dit rapport in de Verslagen en Mededeelingen der Afdeeling Natuurkunde, 2e Reeks, XV^ Deel, p. 33—37. Door Z.E. den Minister van Waterstaat, Handel en Nijver- heid werd de Commissie voor standaardmeter en kilogram, bij missive van 31 Juli 1879, uitgenoodigd om een onder- zoek in te stellen naar de juistheid van den meetklok, die aan de gemeentelijke gasfabriek te Utrecht dienst zou doen bij den ijk der gasmeters. Daar den Secretaris der Afdeeling Natuurkunde uit het schrijven des Ministers het verlangen gebleken was, dat het onderzoek ten spoedigste mocht plaats hebben, achtte hij het raadzaam Z.E. op de bijzondere om- standigheden te wijzen, waardoor aan dien wensch op het oogenblik onmogelijk kon worden voldaan; wat ten gevolge had dat de taak, tot welker volvoering de Commissie voor standaardmeter en kilogram, onder gewone omstandigheden, zich gaarne, evenals vroeger, beschikbaar had gesteld, thans door den Minister werd opgedragen aan de Commissie tot onderzoek van weegwerktuigen te Delft, werkzaam ouder het voorzitterschap van den hoogleeraar Bosscha. Den Secretaris der Afdeeling werd van dit besluit, bij een schrijven van 9 October 1879, kennis gegeven. De Afdeeling Natuurkunde der Akademie werd, op eene des betreffende uitnoodiging, door haar Bestuur vertegenwoor- digd bij de plechtige herdenking van den sterfdag van Jo- HANNES SwAMMERDAM, deu 1 7tleu Februari 1680 te Amster- dam overleden. De maandelijksche vergaderingen der Akademie werden zeer trouw bezocht. LXXIV Uit liet vak der Wiskunde werden twee bijdragen gele- verd: ééue van den Heer vak den Berg: » Ontwikkeling van eenige algebraïsche en van daarmede gelijkvormige goniome- trisclie identiteiten" (Versl. en Meded. 2« Reeks, XIV^ Deel, p. 340 — ^359), en eene andere van den Heer Baehe, De laatste betrof eenige algemeene formulen, waarvan die, me- degedeeld op de vergadering van Februari 1879, en tot uit- drukking strekkend van een merkwaardig goniometriscli ver- band tussehen 3 willekeurige hoeken, een bijzonder geval was (Proces-Verb. van 31 Mei 1879). Op het gebied der Mechanica bewoog zich de Heer Grin- wis, toen hij sprak »Over de dubbellading eener centrobari- sche massaverdeeling." Was het behandelde geval: de ver- deeling over een boloppervlak, onvoldoende om de beteekenis eener dubbellading in het algemeen te verklaren, toch kwam daarbij het eigenaardige der equivalente enkele nullading reeds eenigermate aan het licht. Het werd gevonden in de zeer bijzondere (schijnbaar hoogst eenvoudige) verdeeling der positieve en negatieve massa over de beide bolvormige seg- menten, en niet minder in het zonderling verdwijnen dier nullading, wanneer het massapunt tot het middelpunt des bols naderde. De Heer Grinwis stelde zich voor, dit on- derzoek verder voort te zetten. De SterreJcunde vond haren woordvoerder in den Heer van DE Sande Bakhuijzen, die het akademisch proefschrift van den Heer E. F. van de Sande Bakhuijzen: » Bepaling van de helling der ecliptica, uit waarnemingen, verricht aan de Sterrewacht te Leiden," bij de vergadering inleidde, en een beknopt overzicht van de daarin neergelegde uitkomsten ten beste gaf. Ter bepaling van de helling der Ecliptica werd gebruik gemaakt van de declinatie-waarnemingen van de zon, gedu- rende de jaren 1864 — 1876, ten getale van 852, door ver- schillende waarnemers met den meridiaancirkel van de Ster- rewacht te Leiden verricht, nadat zij, door eene gedeeltelijke bewerking van de declinatiebepalingen der Leidsche funda- LXXV mentaalsterren, van fouten gezuiverd waren. De fouten, aan de straalbreking toe te sclirijven, werden volgens de theorie van Gyldkn tot een minimum teruggebracht. De overeenstemming der waarden, uit twee stelsels van zonswaarnemingen vóór en na 1870 verkregen, was bevredi- gend, en deed in elk geval in nauwkeurigheid niet onder voor soortgelijke, aan andere sterrewachten verkregen. (Proces- Verbaal van 25 October 1879). Over de Natuurhmdige Aardrijkskunde vallen drie mede- deelingeu te vermelden: ééne van den Heer P. Harting, eene andere van den Heer vax de Sande Bakhüyzen en eene derde van den Heer Bierens de Haan. De eerste sprak » Over temperatuurbepalingen in een put van 369 meters diep te Utrecht" en beschreef daarbij den toestel, waarmede de waarnemingen, met behulp der Heeren Dr. F. W. C. Krecke en J. RoBBEEs verricht waren. Wij vermelden er van, dat die toestel de gelegenheid aanbood steeds te gelijker tijd drie verschillende thermometers, nl. een volgens Dunkeb, gewijzigden geothermometer, een gewichts- en een CASsELLA-thermometer naar beneden te laten, en dat er eene inrichting aan ver- bonden was, waardoor eene kolom water in den boorput kon worden afgesloten, in dier voege, dat de invloed van het warmere beneden- en het koudere bovenwater in den omtrek van den thermometrischen toestel zoo veel mogelijk voorkomen werd. De proeven konden slechts zes dagen laag (van 21 — 26 April 1879) voortgezet en de temperaturen daarom slechts voor enkele punten worden bepaald. Men koos daartoe de diepten van 65, 165, 265 en 365 meter, terwijl de toestel 2^/2 en 21 uren in de diepte gelaten werd. Behalve een viertal bepalingen op geringere diepten (van 25, 35, 45, 55 meter), werden niet meer dan twee seriën waarnemingen in den zooeven aangeduiden geest verricht, en leidden de proef- nemers daaruit de gevolgtrekking af, dat over eene diepte van 365 meter in den bodem van Utrecht, geene voortgaande vermindering der rede van de warmte-toeneming, zooals door DuNKEE, in het 1270 meter diepe boorgat te Sperenberg, LXXVI merkbaar was, maar dat integendeel op eene plaatselijke vertraging weder eene versnelling volgde, wanneer de grootere diepte bereikt was. De reden dezer afwijking werd door den Heer Harting gezocbt in de nabijheid der Noordzee, en de mogelijkheid dat het koudere zeewater invloed op de tempe- ratuur der bovenste bodemlagen had uitgeoefend (Versl. en Meded. 2e Reeks, XIV^ Deel, p. 394—409). De Heer van de Sande Bakhtjijzen vestigde de aandacht op » kleine bewegingen, welke de Heer Stieltjes in den nacht van 19 op 20 November 1879, te half drie, bij het niveau van den meridiaancirkel aan de Leidsche Sterrewacht had waargenomen." Zij deden terstond denken aan eene aardbeving, die wellicht op grooten afstand, en, in verband met de verplaatsing der luchtbel van het oosten naar het westen, ten oosten van Leiden moest hebben plaats gehad. Uit later ingewonnen berichten bleek dan ook werkelijk, dat in denzelfden nacht der waarneming eene hevige aardbeving Teweswar en omstreken geteisterd had. Uit verdere bere- keningen vloeide voort, dat de aardstoot, waarvan men de uitwerking te Leiden had waargenomen, 1 uur 40 minuten vroeger te Teweswar moest hebben plaats gehad. (Proces- Verb. van Dec. 1879). De Heer Bierexs de Haan sprak over de uitvinding der lijnen van gelijk niveau, toe te schrijven aan de Nederland- sche ingenieurs Cruqüius (1729) en Bolstra (1740). De eerste gebruikte die methode reeds bij de teekening van het bed der Merwede, toen hij met de professoren 's Gravesande en WiTTiCHius gecommitteerd werd om de rivier te onder- zoeken. (Proces- Verb. van Maart 1880). Uit het vak der Waterbouwkunde valt te vermelden eene bydrage van den Heer van Diesen : » Over de zijdelingsche afleiding van water uit eene rivier over een der dijken." Er werd in betoogd, dat zijdelingsche afleiding over zooge- naamde overlaten nadeelen oplevert en geenszins zekerheid geeft, dat het gevaar wordt verwijderd van de streek, die men er door wil ontzetten, en dat ditzelfde geldt van het Lxxvn onlangs opnieuw voorgestelde houden of brengen der znider Rijn- en Lekdijken op eene hoogte, lager dan die der noor- delijke, met het doel, de landstreek, door laatstgenoemde dij- ken beschermd, voor overstrooming te vrijwaren ; dat derhalve noode het een noch het andere mag worden aanbevolen, maar dat het verbeteren van het zomer-, en vooral van het win- terbed der rivier en het verzwaren der dijken de middelen zijn, waarmede men behoort voort te gaan, omdat men daar- van de laatste 25 jaar, waarin zij worden toegepast, goede gevolgen heeft gezien. (Versl. en Meded. 2^ Reeks, XV<^ Deel, p. 24—32). Tot de woordvoerders op het gebied der Physica behoor- den de Heeren Rijke, Bosscha, van der Waals en Mees. De Heer Rijke sprak de 1^ maal »Over verschillen in temperatuur, die men, bij electrolyse van zouten, aan de electroden heeft waargenomen, en gaf daarvan eene verkla- ring in dien zin, dat, 'als de electroden van hetzelfde metaal zijn als de basis van het zout, aan de anode eene hoogere of lagere temperatuur dan aan de kathode zal worden waar- genomen, al naar mate, bij diffusie van eene meer gecon- centreerde oplossing van het zout in eene min geconcen- treerde, rijzing dan wel dahng van temperatuur plaats heeft (Proces- Verb. van October 1879). Eene tweede maal handelde de Heer Rijke over den toestand, waarin het dielectricum na de ontlading van een condensator verkeert. Na eenige inleidende opmerkingen stond spreker meer bepaald stil bij proeven van Hopkiisson, beschreven in de Phil. Trans, van 1876, waaruit die geleerde meende te mogen afleiden, dat men, door het kloppen op eene Leidsche flesch, het te voorschijn komen van het zoogenoemd »residuum" kon bespoedigen. Zijne eigene proeven wezen hem echter op eene geheel andere verklaring voor de waargenomen ver- schijnselen, en wel: dat deze uitsluitend moesten worden toegeschreven aan de electriciteit, die door de wrijving, welke het kloppen altijd vergezelt, wordt opgewekt. Ten slotte deelde de Heer Rijke nog mede, dat hij bij Leidsche fles- Lxxvm sclien, waarbij zwavelzuur zoowel voor binnen- als buiten- bekleedsel diende, het residuum nog voor den dag had zieu komen, zelfs nadat die bekleedselen langer dan tien etmalen in metallische gemeenschap waren geweest. De Heer Bosscha, die eenige jaren geleden eene korte mede- deeling had gedaan »Over de algemeene eigenschappen van gecentreerde optische stelsels", waarin werd aangetoond dat zij op hoogst eenvoudige wijze uit de wetten van breking- van bolvormige vlakken konden worden afgeleid, kwam op dit onderwerp terug om er de historische bijzonderheid aan toe te voegen en door bewijzen te staven, dat niet Gauss, maar Laguange het eerst de regels had aangegeven, noodig om in elk samenstel van lenzen den loop der lichtstralen te vinden, en dat, na dezen, ook aan Möbius een deel der ontdekking moest worden toegeschreven, gewoonlijk op reke- ning van Gaüss gesteld. Verder deed hij door een paar voorbeelden zien, hoe men van de analytische uitdrukking der bedoelde eigenschappen gebruik kon maken in sommige vraagstukken van optica, zooals het meten van kleine groot- heden met behulp van mikroskopen, voorzien van oculairmi- crometers. (Proces-verbaal van December 1879). De Heer van der Waals handelde » Over eene meetkundige voorstelling voor de voortplanting van het geluid in de lucht, ook als men de onderstelling van oneindig kleine bewegingen laat varen", en lichtte door berekening toe, dat het geluids- oppervlak gevonden kan worden als men door de golf, op het tijdstip i = o, rechte lijnen trekt, waarvan de constructie door een paar vergelijkingen, in het opstel aangeduid met de nummers 3 en 4, bepaald wordt. (Proces-verbaal vau December 1879). Later sprak dezelfde »Over de betrekking tusschen span- ning, volumen en temperatuur, bij dissociatie", en deed hij opmerken, dat de uitkomsten, waartoe Gibbs omtrent die betrekking gekomen was, en die verkregen werd door gebruik te maken van eene stelling, welker juistheid misschien be- twijfeld konde worden, ook te verkrijgen was door de toe- LXXIX passing van de eenvoudigste wetten der mecliauisclie warmte- theorie. Bij de bespreking van de wijze, waarop de schei- kundigen gewoonlijk tot de verhouding tusschen de bestand- deelen van het gedissocieerde mengsel geraken, doordien zij het begrij) van » actieve massa" invoeren, toonde hij verder aan, dat dit begrip, in het licht der kinetische gastheorie beschouwd, op de a priori waarschijnlijke hypothese berust, dat alleen bij de botsing der bestanddeelen van het gedisso- cieerde molekuul, kans van herstel voor zulk een molekuul aan- wezig is. (Versl. en Meded. 2e Reeks, We Deel, p. 199 — 217). De Heer Mees leverde een opstel: »Over de methode van Jamin ter bepaling van de sameudrukbaarheid der vloei- stoffen", waarin werd aangetoond dat zij, hoe groote waarde haar ontwerper daaraan mocht hebben toegekend, als zijnde onafhankelijk van eenige hypothese, en dus wel in staat om aan de bezwaren van aile vroegere methoden, en meer bepaald aan die van Regnault, te gemoet te komen, op hare beurt voor verbetering vatbaar was. Uit redeneeringen, door be- rekeningen gestaafd, kwam de schrijver tot het besluit, dat Jamin 's methode eigenlijk slechts eene wijziging is van die van Regnault; dat beiden hare voor- en nadeelen hebben, en dat, daar beiden in de nauwkeurigheid der uitkomsten" elkander weinig ontloopen, van die van Jamin alleen gezegd kan worden dat zij, door hare grooteie eenvoudigheid, een weinig voor heeft boven die van Regnault. (Versl. en Meded. 2e Reeks, XVe Deel, p. 218—230). Een tweede opstel van denzelfden handelde »Over de voortplanting .van vlakke geluidgolven in gassen, volgens de kinetische gastheorie." In het eerste gedeelte daarvan werd in de eerste plaats nagegaan, hoe men zich, volgens den schrijver, den bewegingstoestand in geluidsgolven, volgens de kinetische gastheorie, te denken heeft. Vervolgens werden betrekkingen afgeleid tusschen de trillingssnelheid eeuerzijds en de veranderingen in dichtheid en daarmede gepaard gaande veranderingen in temperatuur anderzijds, die zoowel met de daaromtrent heerschende denkbeelden als met de beginselen LXXX der mechanische warmtetheorie in overeenstemming bleken te zijn, O. a. kwam de schrijver tot eene formule voor de voortplantiugssnelheid van het geluid, die identisch is met de bekende formule van Laplace. In het tweede gedeelte ging de S. na, of de door hem gevonden bewegingstoestand met de beginselen der kineti- sche gastheorie in overeenstemming kon geacht worden: of het nl. een toestand was, die zich zelven onderhoudt. Daar- toe werd onderzocht, of de toestand, zooals die op een ge- geven oogenblik, op eene bepaalde plaats, in het gas bestaat, het noodzakelijk gevolg is van de toestanden, die op vroe- gere tijdstippen op de verschillende plaatsen in het gas be- stonden. Dit onderzoek leidde tot formules, die volkomen bevredigend zijn wat betreft de daarin voorkomende termen, welke betrekking hebben op de veranderlijkheid van den toe- stand met de plaats, niet echter wat de termen betreft, die betrekking hebben op de veranderlijkheid van den toestand met den tijd. Dit laatste meende de schrijver dat waar- schijnlijk moest worden toegeschreven aan de hem gebleken onmogelijkheid om, wegens de mathematische moeilijkheden, eene volkomen strenge en nauwkeurige oplossing van het vraagstuk te geven. Van meteorologisclien aard was de mededeeling van den Heer Buys Ballot, die der Afdeeling verslag gaf van het verhandelde op de internationale meteorologische conferentie, van 1 — 6 October 1879 te Hamburg gehouden. Daaruit bleek, dat het vaste voornemen bestond, in de Noordpool- streken, op ten minste 8 verschillende plaatsen, observatoriën op te richten, aan welker bemanning de taak zou worden opgedragen, gedurende een geheel jaar, en wel van 1 Sep- tember 1881 tot 1 Augustus 1882, volgens een uitgewerkt plan, synchronische waarnemingen, zoowel over meteorolo- gische als magnetische verschijnselen in het werk te stellen. De vertegenwoordigers uit de meest verschillende landen hadden zich bereid verklaard, ter verwezenlijking van het voornemen hunne beste krachten in te spannen, en de Heer LXXXI BuYS Ballot meende vau zijn kant het vooniitziclit te kun- nen geven, dat Nederland met de bezetting van een der pos- ten, b. V. Spitsbergen en Nova Zembla, zich zou willen be- lasten. De zedelijke steun der Akademie werd hem toege- zegd om zijne pogingen bij de Nederlandsche regeering ingang te doen vinden (Proces- Verb. van November 1879). Op het gebied der Scheikunde werden voordrachten gehou- den door de Heeren van Bemmelen, Franchimont en En. Mulder. De Heer van Bemmelen deelde de uitkomsten mede van onderzoekingen aangaande het absorbtievermogen van kiezel- zuur en van hydraten van tindioxyd en van mangaandioxyd, in waterige oplossingen van zuren, van zouten en van alka- liën, en betoogde, hoe de door hem waargenomen verschijn- selen van meer of minder labiele verbindingen tusschen anhy- drieden en water, zuren, zouten en alkaliën, den overgang vormden tusschen de verschijnselen van oplossing, molecu- laire aankleving, aanhanging, enz., en meer stabiele chemische verbindingen, zoodat de grens waar de chemische verbinding aanvangt, niet te vinden was (Proces- Verb. van Juni 1879). Uit naam van den Heer Hensgen, werd door denzelfden gewezen op het feit, dat door de werking van zoutzuur op den neerslag, dien ferrichloruur in kaliumchromaat-oplossing te weeg brengt, een kristallijn zout van eene bepaalde, nader aangegeven, samenstelling verkregen kan worden (ibidem). De Heer Franchimont onderhield de Afdeeling over proe- ven, verricht op lichamen uit de reeks der koolhydraten, en toonde allereerst aan, dat er tusschen plantaardige en dier- lijke cellulose of tunicine eene zoo groote overeenkomst in eigenschappen bestaat, dat de identiteit van beiden hoogst waarschijnlijk is, en dat eenig verschil, 't welk tusschen die stoffen nog te vinden mocht wezen, uit polymerie of isomerie verklaard zoude moeten worden. — Verder wees hij op eene uit glucose bereide acetylverbinding : de octacetyldiglucose, uit eene oplossing in aether in kristallijnen toestand verkre- gen en waarschijnlijk hetzelfde lichaam, dat Schützenberger J.\AKBOKK 1880. P LXXXII vroeger, hoewel slechts in amorphen toestand, had weten af te zonderen. Behalve op andere koolhydraten, werd de acety- leeringsmethode ook op de cellulose door den spreker toege- past, aanvankelijk zonder, doch later, na wijziging der methode van werken, met de beste gevolgen, in dien zin, dat de ver- wachte kristallen ten slotte toch ook uit kokenden alcohol werden verkregen (Proces-Verb. van September 1879). Dezelfde spreker vestigde de aandacht der Afdeeling later nog op eene nieuwe wijze van bereiding van azijnzure aethers der meerwaardige alcoholen (manniet, glucose, cellulose, gly- cerine, enz.) en wel door deze met hun viervoudig gewicht aan azijnzuur-anhydride en een klein stukje gesmolten chloor- zink zacht te verwarmen. De voordeelen dezer wijze van werken zijn : dat zij in eenige weinige minuten tot eene uitkomst leidt; dat geen hooge warmtegraad behoeft te wor- den aangewend; dat zij zuivere producten levert, en, naar het schijnt, de hoogst geacetyleerde (Proces-Verb. van Oct. 1879). De Heer Ei:). Muldeu leverde eene bijdrage tot de keu nis der ureïden (Proces-Verb. van November 1879) en vestigde bij eene latere gelegenheid de aandacht op het eerste ge- deelte van een arbeid des Heeren H. G. L. van der Meulen : »ter synthese van den vierwaardigen alcohol erythriet" (Proces-Verb. van December 1879), waarbij hij aanleiding vond, de bereidingswijze en de samenstelling eener tot hiertoe onbekende, uit wijnsteenzuur afgeleide, verbinding: het zink- wijnsteenzuur-aethyl, toe te lichten. Van toxicologische^ aard waren twee bijdragen van den Heer van Hasselt, waarin »ouze tegenwoordige kennis van de afkomst van het Curare" besproken en toegelicht werd. Eenige voorwerpen, door den Franschen Officier van Gezond- heid J. CeÉveaux op zijne reizen verzameld en aan den Heer Jhr. van Sypestein, gouverneur der kolonie Suriname, ten geschenke gegeven, die ze weder toezond aan den Heer VAN Hasselt, hadden tot die mededeelingen aanleiding gege- ven. Zij bestonden uit eene photographie, die, aanvankelijk liXXXTII voor Sfrychnos Guyanensis VON Mart. gehouden, later bleek tot Strychnos Castelnaeana Wedd. te behooren, en een paar bloemlooze bebladerde takjes, wier afkomst, door hunne on- volledigheid, niet te bepalen was. Baillon, in wiens handen eene volledige verzameling voorwerpen gesteld werd, herkende daarin later eene nieuwe soort, naar den ontdekker Strychnos Créveauxiana geheeten. Eerstgenoemde plant, de vergiftigste, groeit aan de Amazone, tusschen Tefife en Calderon, laatst- genoemde, de minst vergiftige, in zuidelijk Fransch-Guyana (Versl. en Meded. 2^ Reeks, XV, p. 1 — 11 en Proces-Verb. van Maart 1880). Tot het gebied der Physiologie behoorde de voordracht van den Heer Place: » Uitkomsten van een aantal bepalingen van de hoeveelheid koolzuur, die uit verseh spierweefsel, onder verschillende omstandigheden, kan worden verkregen". De proeven werden genomen ter oplossing van de vraag: of de vorming van koolzuur in het spierweefsel op fermentatie of dissociatie berust, en tot dat einde zoowel de werking van enkel kokend als die van lauw en daarna van kokend water, op kikvorsch-spieren onderzocht. Ofschoon niet ontkend konde worden, dat de hoeveelheid koolzuur, bij de laatste wijze van werken verkregen, altijd iets grooter was dan bij de eerste, was toch het besluit geen ander, dan dat de digestieproeven evenmin het bewijs voor de afhankelijkheid der koolzuur- vorming van fermentatieprocessen kunnen leveren, als de proeven met enkel kokend water dat kunnen ten opzichte van de afhankelijkheid dier vorming van dissociatie. De scheikundige samenstelling van het spierweefsel is te inge- wikkeld om de verandering, die daarbij door het koken tot stand komt, met juistheid te kunnen aangeven. Op andere gronden blijft het evenwel zeer waarschijnlijk, dat, gedurende het leven, de uitscheiding van het koolzuur voornamelijk op dissociatie berust (Proces- Verbaal van October 1879). De Heer Koster gaf eene anatomische bydrage ten beste, getiteld : » Over de spieren der vingers bij den mensch en de apen". In aansluiting aan zijne vroegere mededeelingen over F* LXXXTV de strekspieren der vingers en een door hem ontdekten auo- malen samenhang tusschen de pezen van duim en wijsvinger, stond hy thans meer uitvoerig stil bij de vingerspieren van den mensch en de apen in het algemeen en bi] den langen duimbuiger in 't bijzonder. Onder betuiging dat de sedert z^ne vroegere mededeeling in het licht verschenen onderzoe- kingen van Langer en von Bischoff voor de punten, welke hij onderzocht wenschte, niets nieuws hadden opgeleverd, stelde hij, als uitkomst van zijn eigen onderzoek der diepe vingerbuigers bij den mensch in het licht, dat er tusschen duimbuiger en algemeenen diepen vingerbuiger meer samen- hang bestaat dan men gewoonlijk opgeeft, en dat ook de oppervlakkige en diepe vingerbuigspier bij haren oorsprong dikwijls met elkander in verband staan. Tegenover von Bi- SCHOFF bleef spreker volhouden, dat de radiale oorsprong van den algemeenen diepen vingerbuiger bij de hoogere apen, iets meer zelfstandig geworden, niets anders is als de lange bijzondere duimbuiger van den mensch (Versl. en Meded. 2e Reeks, XV, p. 179—185). De Heer Mac Gillavry behandelde een onderwerp uit het gebied der Pathologische Anatomie, en wel het ontstaan van gezwellen, in verband met de theorie der embryonaire kiemen. Het kwam hem voor, dat deze in sommige gevallen de eenige is, die met de feiten overeenstemt. Nader toegelicht werd dit denkbeeld door de mededeeling van een geval, waarbij het hem gebleken was, dat een kaakgezwel (epulis), hem na de operatie ter onderzoeking toevertrouwd, voor het grootst gedeelte uit een prolifereerend glazu urorgaan bestond, dat, met duidelijk cilinder-epithelium bekleed, tallooze kleinere en vele grootere kystevormige holten gevormd had. Wat niet tot het glazuurorgaan behoorde, was bindweefsel, welks fijnere bouw aan een der meest gewone vormen van sarcoma deed denken (Proces- Verbaal van November 1879). Tot de mededeelingen op Jdstiologisch gebied behoorden die van den Heer ENGEiiMANN. De eerste betrof den samen- hang tusschen spier en zenuw, en stelde de door den Heer LXXXV A. FoETTiNGER iii liet physiologiscli laboratorium te Utrecht gemaakte ontdekking in het licht, dat rechtstreeksche voort- zettingen der motorische zenuwvezels, in vorm en overige ^genschappen met dunne ascilinders overeenkomend, zich met de isotrope spierschijven, en wel bepaaldelijk met de tusschen- schijven verbinden, terwijl, omgekeerd, zulk een verband tus- schen die voortzetting en de anisotrope lagen nooit wordt opgemerkt. Door de medegedeelde uitkomsten was besHst, dat de outladiugshypothese en die eener indirecte werking der zenuw op de spier, door tusschenkomst van de zooge- noemde protoplasmazool, geen recht van bestaan meer hadden; omgekeerd, werd men daardoor genoopt om aan te nemen, dat het moleculairproces der irritatie, in elke zenuw vezel tot op de plaatsen van aanraking met de isotrope schijven voort- geplant, rechtstreeks op de moleculen dier schijven werkt, en van hier, uitsluitend door spiergeleiding, in alle richtingen, zich door den contractielen inhoud der spiervezel voortplant. Van alle voorstellingen, is deze alleen zoowel met de anato- mische als met alle tot dusverre bekende physiologische feiten in volkomen harmonie (Proces-Verbaal van Juni 1879). De tweede mededeeling liep over den bouw der zenuwvezels. Zij strekte voornamelijk om de bedenkingen van Rumpf tegen zijne voorstelling van dien bouw, dat nl. de ascilinder der merghoudende zenuwen geen onafgebroken doorloopende vezel is, maar uit aaneengevoegde stukken bestaat, welke zich van de eene RANViEii'sche insnoering tot de eerstvolgende uitstrek- ken, te wederleggen. Dit geschiedde op grond van nieuwe proeven en waarnemingen op afgebonden zenuwstammen. De ontdekking van Max en Hans Schultze, dat de ascilinder der zenuwvezels uit een bundel fibrillen bestaat, werd door den Heer Engelmann bevestigd; daarentegen ontkend het bestaan eener hoornscheede als vormbestanddeel van geheel het zenuwstelsel. Deze leer, vóór eenige jaren door KuHisrE en EwALD verkondigd, was gebleken, uit eene diep ingrijpende mishandeling der zenuwen te zijn voortgesproten (Proces- Verbaal van Februari 1880). LXXXVI Eene derde mededeeling betrof den fijnen houw der tril- haarcellen. Spreker ontdekte dat die haren niet rechtstreeks op het protoplasma der cel, maar op het cuticulair dekseltje rusten, en dat dit laatste niet is een verdikt cel vlies, maar uit sterk lichtbrekende, prismatische, isoleerbare stukjes van ongeveer 0.2 — 0.4 ^ breedte en hoogte bestaat, elk waarvan het voetstuk vormt van een trilhaar. Zeer dikwerf is tus- schen elk voetstuk en het daarbij behoorend haartje nog een tusschenlid van een minder sterk lichtbrekend vermogen en andere microchemische eigenschappen ingevoegd. Uit de basis van elk voetstuk ontspringt een cilindrisch vezeltje, 't welk meer of minder ver in het protoplasma kan vervolgd worden, terwijl de gezamenlijke vezeltjes naar onder meer of min convergeeren en zich tot eene enkele dunne fibril vereenigen, die tot op den bodem der cel doordringt, doch nooit met de kern of met zenuwvezels buiten de cel samenhangt. De intracellulaire vezels hebben een cilindrieken vorm, zijn 0.2 (.t dik, optisch homogeen, sterker lichtbrekend dan het protoplasma, soms sterk dubbelbrekend en wel: positief. Hun hoofdbestanddeel is eiwit. Contractieverschijnselen nam spreker er nooit aan waar, zelfs niet na electrische prikkeling. Het deksel der trilhaarcellen bij de » Seitenzellen" aan de kiemen der Lamellibranchiaten bestaat uit twee stelsels van evenwijdige lijstjes, waarvan het eene met de prismatische voetstukjes der trilharen overeenkomt, het andere niet voor de inplanting der trilharen schijnt te dienen. De physiologische beteekenis van dien samengestelden bouw is duister. Wellicht staat deze in eenig verband met het peristaltisch voortschrijden der trilbeweging, dat juist bij de genoemde cellen zoo bijzonder in het oog loopend is. De Zoölogie vond haren woordvoerder in den Heer van Hasselt, die eene bijdrage leverde »over drie zeldzame tro- pische Spinnen", en bijzonder over den Lipistius desultor ScHiÖDTE. Een volwassen vrouwelijk exemplaar dezer laatste, door den Heer Snelleman van de Sumatra-expeditie mede- gebracht, leverde hem de stof om de ontdekking van Schiödte, Lxxxvn alsof die spiu geeue spintepels hebben zoude, te weerspre- ken en L. desultor voor dezelfde soort te verklaren als L. mammillanus Cambridgb, waarbij die organen wel te vinden waren geweest (Versl. en Meded. 2^ Reeks, XV, p. 186 — 198). Van botanischen aard waren twee bijdragen van den Heer DE Vries, ééne van den Heer Suringar en ééne van den Heer Treub. De Heer de Vries behandelde eerst het verschynsel van »de samentrekking der wortels," belangrijk, omdat deze dee- len daardoor, kort na het kiemen, bij het uitdrogen en da- len van den grond, daar niet boven komen te staan, maar die beweging kunnen volgen. De te beantwoorden vraag was: welke krachten bij die samentrekking in het spel zijn. Na vooraf te hebben gewezen op het feit, dat jonge wortels van kruidachtige planten in water korter doch dikker worden en daarbij in volumen toenemen, werd verder door tal van proeven bewezen, dat deze uitkomst aan het korter doch breeder worden der parenchymcellen moet worden toegeschre- ven, en eindelijk, dat eene verandering in de richting der spanning tusschen den wand en den inhoud dier cellen als laatst naspeurbare grond van het verschijnsel behoort te worden aangemerkt (Proces- Verb. van Sept. 1879 en Versl. en Meded. 2^' Reeks, XV, p. 12 — 16). De tweede mededeeling van den Heer de Vries betrof » de oorzaken van krommingen bij den groei van plantendeelen" en strekte om te bewijzen, dat die krommingen niet recht- streeks door den groei der celwanden, maar door eene wij- ziging in de osmotische spanning tusschen den wand en den inhoud der cellen wordt te weeg gebracht, zoodat eene toe- neming dezer spanning aan de zijde, welke convex wordt, de celwanden dier zijde uitrekt en daardoor kromming ver- oorzaakt. Deze uitkomsten werden verkregen door het aan- wenden van 1*^. de plasmolytische en 2^. de injectiemethode van DuTROCHET, en de proeven in de eerste richting bij on- derscheidene planten en plantendeelen, die in de tweede uit- sluitend aan de ranken van Sicyos aiigulatus verricht. Eene Lxxxvni pogiug om uit te vorschen, welke stoffen in de cellen der ranken de osmotisch werkzame zouden wezen, leidde tot het vermoeden, dat dit de plantenzuren zijn, en verder tot liet meer omvattende denkbeeld, dat die zuren, bij eiken turgor van plantencellen, de voornaamste rol spelen en eene eenzij- dige versnelling van den groei, door uitwendige krachten, op eene versnelling van het proces van afzondering dezer plantenzuren aan die zijde berust (Proces- Verb. van Nov» 1879 en Versl. en Meded. 2^ Reeks, XV, p. 51 — 174). De Heer Sueingae. deelde voorloopige uitkomsten mede van z^n onderzoek eener Raflesia-soori, in de wildernis tus- schen de Libi en de Lompattan-andjang, in de zuidelijke Padangsche bovenlanden op Sumatra, bij gelegenheid van de Nederlandsche expeditie naar dat eiland, op 29 December 1877, door de Heeren van Hasselt en Snelleman verzameld. Na eene vergelijking der medegebrachte voorwerpen met de afbeeldingen en beschrijvingea van andere bekende soorten, kwam hij tot de overtuiging, met eene nog onbekende soort van Rajiesia te doen te hebben, en noemde hij die Rafflesia Hasseltii (Proces-Verbaal van Oct. 1879). De Heer Treub hield eene voordracht »Over kernen van plantencellen" en betoogde drieërlei, nl. 1°. dat de onder- scheiding tusschen kern-deeling en kern-afsnoering gehand- haafd moet blijven, zelfs al mochten er in de toekomst over- gangen tusschen die beide processen worden waargenomen; 2^, dat de kernen van naast elkander gelegen éénkernige plantencellen zich dikwerf te gelijkertijd deelen, juist zooals de kernen in veelkernige cellen gewoon zijn dat te doen — een feit, 't welk voor de theoretische opvatting van »de cel" niet van belang ontbloot zou zijn, en 3*^. dat de celdeeling bij Chara fragiÜH^ en dus waarschijnlijk bij alle Characeeën, tot stand komt door het breeder worden van de celplaat en niet door de vorming van een naar binnen groeienden cellulose- ring, hetgeen des te merkwaardiger is, daar de Characeeën niet tot de hoogst ontwikkelde Cryptogamen behooren (Pro- ces-Verbaal van Maart 1880). LXXXIX Op palaeontologisch gebied eindeliik bewoog zich de Heer Beheens, die b^ eene eerste gelegenheid voorloopige uitkom- sten mededeelde » Over den mikroskopischen bouw van fos- siele kolen," en bij eene andere handelde »over een zeer eigenaardig gesteente uit het westen van Java", in het delf- stoffen-kabinet den Polytechnische School te Delft onder den naam van Phonoliet aanwezig. Dit gesteente was in hoofd- zaak samengepakte en hard geworden vulkanische asch, doch bevatte tal van obsidiaan- en tufachtige bolletjes, allen om- huld door eene dunne laag kalkspaat en de grootere boven- dien door skalenoëdrische, hoogst regelmatig verdeelde, radi- aal divergeerende kalkspaat-stekels. Spreker stelde zich voor, dat de massa onder water was uitgebraakt en keitjes en rol- steentjes, uit vroegere vulkanische uitwerpselen gevormd, in zich had opgenomen (Proces- Verbaal van Maart 1880). Eene laatste mededeeling van den Heer Behrens betrof de eruptie-gesteenten der Tjiletoekbaai op West-Java. Er werd betoogd, dat zij ten deele van trachietischen, ten deele van basaltischen aard waren. De diallaag-gesteenten vond spreker beperkt tot den zuidwestelijken hoek der baai, waar op den G. Karang-êlang olivin-gabbro werd gevonden, over gaande tot serpentijn, bij Tandjong-Karang-Kapitoe labradoor- en saussuriet-gabbro. Uit de samenstelling der laatstgenoemde gesteenten bleek, dat zij als vóórtertiaire dienden beschouwd te worden. De omgevende conglomeraten, alsmede het grootst gedeelte van den G. Linggoeng zijn noch gewone zandsteen, noch lei, maar puin (vulkanische asch) van trachietische gesteenten, onder water tot tuf verhard. Acht geleerden, door geen titel aan de Akademie verbon- den, boden haar, ter plaatsing in hare werken, meer of minder uitvoerige verhandelingen aan. Nadat door de Commissiën, daartoe door den Voorzitter der Afdeeling benoemd, verslag over die verhandelingen uitgebracht en de daaruit voort- vloeiende voorstellen door de Vergadering waren aangenomen, werden de bijdragen der volgende Heeren, hetzij voor de werken in 40. of voor de Verslagen en Mededeelingen, door de Akademie ter perse gelegd: van den Heer Dr. P. ïï. Schguïb: » Beschouwingen over de leer der kromme lynen in de ruimte"; van den Heer Dr. E. van Rijckevoksel het tweede en derde gedeelte zijner verhandeling over de magnetische opneming van den Indischen Archipel, respectievelijk getiteld: » Hori- zontal Intensity" en »Declination and Conclusiou" ; van den Heer Dr. A. A. W. Hübeecht: »Zur Anatomie und Physiologie des Nervensystems der Nemertinen"; van den Heer Dr. J. W. Moll: » Untersuchungen ueber Tropfenausscheiduug und Injection bei Blattern" ; van den Heer Dr. H. A. Lorentz: »De bewegingsvergelij- kingen der gassen en de voortplanting van het geluid vol- gens de kinetische gastheorie." De Heer Schoute stelde zich, in aansluiting aan vroegere onderzoekingen over » vlakke krommen", opgenomen iu het 13e Deel der Verslagen en Mededeelingen, Afd, Nat,, thans ten doel om voor eene ruimtekromme van gegeven graad, den invloed in verschillende opzichten na te gaan van het aantal harer zoogenoemde schijnbare dubbelpunten. Hij bewees eene stelling, die voor het geval, waaria de beschouwde kromme op een oppervlak van den tweeden graad ligt, het antwoord op de bedoelde vraag geeft en onderzocht daarna de wijze, waarop het meergenoemde aantal schijnbare dubbelpunten zich doet gevoelen bij de indeeling der ruimtekrommen van den vierden, den vijfden en den zesden graad in krommen van verschillende soort. Vervolgens ging de schrijver er toe over om, voornamelijk door uitbreiding op ruimtekrommen Van een door de Jonquières aangegeven beginsel, verschillende door Cayley uit de oplossing van functionaalvergelijkingen verkregen uitkomsten omtrent de door drie, of door twee, of door ééne ruimtekromme bepaalde scheve oppervlakken, langs meetkundigeu weg terug te vinden en eenigszins uit te breiden. Eindelijk bracht hem zijn onderzoek omtrent het aantal enkelvoudige voorwaarden, waardoor eene ruimtekromme bepaald wordt, tot het besluit, dat dit aantal in het alge- meen niet afhangt alleen van den graad der kromme en van het aantal harer schijnbare dubbelpunten *). Het tweede en derde deel van den arbeid des Heeren van RiJCKEVORSEL is een vervolg op een in Januari 1879 ver- schenen eerste gedeelte. Evenals dit, bij wijze van een Ver- slag aan Z.E. den Minister van Koloniën in het Engelsch opgesteld, behelzen deze beide deelen de uitkomsten van het onderzoek naar de constanten van het aard-magnetisme in onze Oostindische en de daarin geographisch begrepen vreemde be- zittingen, voor zoover de horizontale intensiteit en de decli- natie betreft. Aan de waarnemingen, in de Verhandelingen neergelegd, zijn kaarten toegevoegd, die, voor het jaar 1876 opgesteld, de isodynamische lijnen met intervallen van 0.02 eenheden (Engelsch e) en de isogonische lijnen van 2 tot 2 minuten vertoonen. Volgens het oordeel van den schrijver, zullen deze lijnen in het westelijk gedeelte van den Archipel weinig wijziging in de algemeene richting behoeven te onder- gaan. In het oostelijk gedeelte, waar het hem, wegens de moeilijk te verkrijgen transportmiddelen, niet mogelijk was een voldoend aantal plaatsen aan te doen, hoopte de schrij- ver dat, na een niet te langen tijd, een dergelijk onderzoek nogmaals, met uitgebreider hulpmiddelen mocht herhaald worden, vooral in het uiterste Oosten onzer eilanden, Nieuw- Guinea en de eilanden beoosten Ti mor. De verhandeling des Heeren Hubeecht bevat de uitkom- sten van onderzoekingen, welke strekken moesten : zoowel om den groveren en fijneren bouw van het centrale en het peripherische zenuwstelsel, en buitendien van de zoogenoemde *) De Heer Schouxe heeft later ontdekt, dat het door hem behan-' delde theorema reeds door den Heer Halphon behandeld was in de Comptes Rendus LXX 380, maar toch op eene wijze, welke van de zijne ia hooge mate afweek. xcn » zijdelingsclie organen" in liet liclit te stellen, als om de verrichting dezer laatsten proefondervindelijk te toetsen. De belangrijkste dezer uitkomsten waren : 1^. dat bij sommige Nemertinen de zenuwmergstreugen ook aan het van den mond afgekeerde uiteinde door eene ruggelings geplaatste verbinding van zenuwvezels vereenigd zijn; 2^. dat de ze- nuwknoopen roode bloedkleurstof (haemoglobine) bevatten, doch dat het gehalte daaraan afneemt naar mate de zijde- lingsche organen minder ontwikkeld zijn of het bloed rijker is aan haemoglobinehoudende cellen; eindelijk, 3*^, dat de zgdeHngsche organen eene belangrijke rol vervullen bij de ademhaling. De Heer Moll leverde in zijn opstel eene bijdrage tot de leer van de beweging van het water in de plant en toonde langs proefondervindelijken weg aan : 1^. dat niet alle plan- ten het vermogen hebben om te druppelen; 2'^. dat bij die- genen harer, welke dit vermogen derven, het water, zoodra het in de vaatbundels onder te hooge di'ukking staat, uit de cellen in de intercellulaire ruimten geperst wordt; 3". dat het druppelen het gevaar voor de vulling dier ruimten af- wendt ; 4°. dat het druppelen bij vele planten met het ouder worden der bladen ophoudt; eindelijk 5*^. dat, ofschoon het druppelen doorgaans tot stand komt op plaatsen, welke daartoe bgzonder zijn ingericht, zulk eene inrichting toch geene ab- solute voorwaarde voor het druppelen is. De Heer Loeentz eindelijk stelde zich in zijne verhandeling ten doel, voornamelijk met het oog op de verklaring van de geluidsbeweging, uit de moleculaire theorie der gassen de vergelijkingen af te leiden, waardoor de bewegingsverschijn- selen dezer lichamen bepaald worden : een onderwerp, waarmee zich, met eenigszins beperkende onderstellingen, reeds Max- well had bezig gehouden. Schrijver ging uit van de be- schouwing der wijze, waarop de verschillende bewegingstoe- standen over de gasmoleculen verdeeld zijn en stelde eene vergelijking op, waaraan in alle gevallen die verdeeling vol- lioen moet. Uit deze betrekking werden de bewegingsver- XCITI gelijkingen afgeleid; eene eerste benadering leverde — ook voor meeratomige gassen — dezelfde resultaten als de vroe- gere geluidstheorie. Ten slotte werd ook de invloed van de inwendige wrijving, van de warmtegeleiding en van uitwen- dige krachten in de vergelijkingen opgenomen. Over de werkzaamheden der Afdeeling Letterkunde valt het volgende mede te deelen: De Heer D. Harting achtte den tijd gekomen om in de schriften van het Nieuwe Testament tekstkritiek, naar vaste regelen, met bedachtzaamheid uit te oefenen, ten einde nader bij den oorsproukelijken tekst te komen dan dit door Lach- MANN en TiscHENDOEi' beproefd is. Dat op dit gebied nog veel werk te doen is, werd met een drietal voorbeelden door hem aangetoond. Zijn voorstel om dieu arbeid aan eene Commissie op te dragen vond echter geene ondersteuning (Versl. IX, bh 46—70). Door den Heer de Jong werd eene bijdrage geleverd over samengestelde Israëlitische eigennamen, wier eerste lid eene famiUebetrekking te kennen geeft. Hij zocht aan te toonen, dat de oude Hebreeën eene wijze van benaming hebben ge- had, welke by de Arabieren steeds gebruikelijk was, namelijk om iemand, met voorbijgaan van zijn eigenlijken naam, aan te duiden als den vader, den zoon, de dochter, den broeder, enz. van , met dit onderscheid, dat deze namen bij de Hebreeën de eigenlijke namen geheel verdrongen. Een papyrus van het Rijks-Museum van Oudheden te Leiden gaf den Heer Leemans aanleiding om de lezing der onderteekeniug van een daarop geschreven Grieksch-Aegyptisch koopcontract, door Reuvens ontcijferd en door hem in de Papyri graeci Musei antiquarii aangenomen, te verdedigen tegen de zeer afwijkende verklaring, onlangs door den Heer V. Gaedthausen in zijne Griechische Palaeographie daarvan XCIV gegeven. Het onhoudbare der bewering van dien geleerde meent de spreker volkomen bewezen te hebben (Versl. IX, blz. 222—242). De Heeren van Herwerden en Naber brachten onderwer- pen uit de klassieke Grieksche letterkunde ter sprake. De eerstgenoemde vestigde de aandacht op een fragment van 23 verzen uit eene tragoedie, dat ten vorigen jare door H. Weil te Parijs voor het eerst is uitgegeven. Terwijl deze geneigd is, die klacht van Europa aan Aeschylus toe te schrijven, denken anderen aan Euripides. De Heer van Herwerden voerde grammatische en metrische gronden aan, die het waarschijnlijk maken, dat het ontleend is aan een treurspel van een jongeren dichter. Dit betoog, voorzien van eene metrische vertaling van het fragment, zal in het volgende deel der Verslagen worden opgenomen. De Heer Naber leverde eene bijdrage over de wolken van Aristophanes. Hij ging uit van de opmerking, dat de af- zonderlijke tooneelen in de stukken van dien dichter met genialiteit behandeld zijn, doch dat het plan, zoo er van eenig plan sprake kan zijn, uiterst gebrekkig is. Zoo ont- staat de vraag, of die stukken in meer of min verbasterden vorm tot ons gekomen zijn. Het antwoord ligt voor de hand, daar bewezen kan worden, dat die stukken vóór de opvoering herhaaldelijk zijn omgewerkt, zoowel door den dich- ter zelven als door een later geslacht, totdat, ten tijde van Demosthenes, aan die willekeur paal en perk is gesteld. Wij weten, dat de Nubes door den dichter zelven in om- gewerkten vorm later zijn opgevoerd, en het blijkt, dat de comoedie, die tot ons is gekomen, op weinig oordeelkun- dige wijze is samengesteld uit de vermenging van de beide bewerkingen. De Lesbia, door Catullus bezongen, bood den Heer Francken stof tot eene bijdrage. ' Hij ontwikkelde de gronden, waarom hij het gevoelen deelt dergenen, die in haar de beruchte zuster zien van den volkstribuun P. Clodius Pulcher, bekend onder de namen Clodia Qüadrantaria. De behandeling dezer xcv vraag ging gepaard met de verklaring van eenige gedicMen van den gevierden dichter (Versl. IX, blz. 71 — 106). De Heer Kern vestigde de aandacht op een Javaansch Wayangstuk, door den Rijksbestierder van Soerakarta aan het Bataviaasch Genootschap ten geschenke gegeven. Hij gaf een overzicht van den inhoud van dat stnk : Irawan rabi of Irawan's huwelijk getiteld, en behoorende tot den sagen-kring van 't Maha-bharata, en sprak de hoop uit dat deze en andere wayangteksten weldra te Batavia zullen wor- den uitgegeven (Versl. IX, blz. 125 — 133). De Heer Boot las een onuitgegeven Latijnsch epigram van CoNSTANTijN HuYGENS voor, en nam daaruit aanleiding om hetgeen bekend is aangaande Joh. Cabeliau, den oudsten rechtsleeraar aan het Amsterdamsche Athenaeum, aan te vullen. Een hier te lande nog onbekend bericht van een Spaan- scheu Israëliet, die omstreeks het jaar 965 onzer jaartelling in een half officieel ka,rakter Duitschland en de naburige landen ten oosten bezocht heeft, over de Slawische volken, ontleend aan een Arabisch werk, in de elfde eeuw door al Bekri opgesteld, werd door den Heer de Goeje medegedeeld en toegelicht. Het behelst vele merkwaardige opmerkingen over de zeden en gewoonten, handel en nijverheid van on- derscheidene Slawische volkeren (Versl. IX, blz. 187 — 216). De geFcbiedenis des vaderlands leverde stof tot bespreking aan de Heeren Brill en Knoop. De eerste wees op de gunstige oordeelvellingen van Simon van Slingeland en Latjrens van de Spiegel over de Unie van Utrecht en kwam in verzet tegen de ongunstige beoordeeliug, die door velen in den jougsten tijd over dat tractaat is geuit (Versl. IX, blz. 138 vgg.). De Heer Knoop kwam nog eens terug op den aanslag van Prins Maurits op Maastricht, die hij vroeger heeft bespro- ken (zie Versl. VHI, blz. 238—263). Hij toonde aan, dat het jaar 1594 daarvoor vaststaat; dat de ligging der kasteelen van Pesch en Bruijn niet onzeker is, maar dat het onderzoek XCYI naar Heeman de Goëe, die daarbg de hoofdrol speelde, nog geene bevredigende uitkomst heeft opgeleverd (Versl. IX, blz. 110-124). Dezelfde spreker lichtte de krijgsverrichtingen van 1678 toe, die aan den slag van St. Denis voorafgingen, vooral met behulp van Roüsset's »Vie de Louvois", en leverde daar- door eene bijdrage tot de kennis van de wijze van oorlog voeren in die dagen, en vooral tot betere waardeering van Prins Willem III als veldheer (Versl. IX, 158 — 183). De Heer Land hield de afdeeling tweemaal bezig. De eerste mededeehng hep over de brieven van Spinoza. De spreker bewees dat de uitgever der »Nagelate Schriften" van B. d. S. van 1677, Nederlandsche brieven van Spinoza's eigen hand voor zich heeft gehad, en dat de Latijnsche vertaling dier brieven waarschijnlijk door Spinoza zelven is vervaar- digd (Versl. IX, bez. 144 — 155). De andere was eene bijdrage tot de geschiedenis der toonkunst bij de Arabieren. De Heer Land heeft de berichten van Villoteau, Kogesaeten, Kiesew'ettee en anderen getoetst aan het werk van den be- roemden al-Faeabi over de muziek, uit de eerste helft der tiende eeuw, en daarvoor gebruik gemaakt van het Leidsche handschrift. Door de berichten van den een uit die des anderen aan te vullen en te verklaren, en door nauwkeurige becyferingen, zag hij zich in staat gesteld eene juistere voor- stelling te geven van de toonladders voor verscheiden muzijk- instrumenten, oudtijds bij de Arabieren gebruikelijk (Versl. IX, blz. 246—297). Een gewichtig punt van Staatsrecht, vroeger door den Heer de Pinïo in de Afdeeling besproken (zie Versl. VHI, blz. 306 — 334), werd door den Heer Tellegen opnieuw behandeld, nl. de vraag of algemeene maatregelen van inwen- dig bestuur noodzakelijk op eene wet moeten berusten. Vol- gens zijne meening steunde die opvatting, thans door den Hoogen Raad gehuldigd, evenmin op de gi'ondwetten van 1814 en 1815 als op de sedert gevolgde praktijk. Zelfs de herziening van 1 848 heeft in dit opzicht niets veranderd. xcvn De Heer Tellegen aarzelt daarom, de wet van 6 Maart 1818 niet toepasselijk te verklaren op die algemeene maatregelen, die niet steunen op eene wet, mits zij slechts niet in strijd zijn met de grondwet of de wet. Deze beschouwing ontmoette veel tegenspraak. De discussie is opgenomen in de Versl. IX, blz. 302—311, de bijdrage zelve aldaar blz. 313—365. De wedstryd in Latijnsche poëzie, volgens het legaat van HoEUFPT geopend, wekte veel deelneming op. Van de elf ingezonden gedichten was, volgens het oordeel der kamp- rechters, eene satire, getiteld: »In mulieres emancipatas" het beste en werd met goud bekroond. De Heer P. Esseiva van Friburg bleek de maker te zijn. Aan de dichters van »Lacus Albanus" en van eene »Consolatio ad Eugeniam Augus- tam in funere filii Aloysii Eugenii Napoleonis" werd eervoUe melding en uitgave hunner stukken aangeboden. Als inzen- der van het laatstgenoemde gedicht maakte de Heer F. Pavesi van Milaan zich bekend. Tot de werken, in het thans afgeloopen jaar door de Aka- demie uitgegeven, behoort het Jaarboek 1879, waarin aan de nagedachtenis van Peteus Johannes va.1s Kerckhoff door den Heer van Bemmelen; aan die van Lewis Cohen Sttjart door den Heer van Deesen; aan die van Johannes Adeia- Nrs Boogaard door den Heer Zaaijer en aan die van Wil- lem MoLL door den Heer Acquoy rechtmatige hulde gebracht werd. Verder zagen het licht: Van de Afdeeling Natuurkunde het 2^ en 3^, stuk van het XIV^ en het P stuk van het XV^ Deel der Verslagen en MededeeHngen, en het XIX^ Deel der 4*^ Werken, inhou- dende : Jaaeboek 1880. Cr xcvni P. Bleeker, Mémoires sur les poissons a pharyngiens laby- rintliiformes de l'Inde arcliipélagiqiie. P. Bleekee, Révision des espèces insulindienues du genre Platyceplialus. M. Treub, Quelques recherches sur Ie róle du uoyau dans la division des cellules végétales. F, Seelheim, De grondboringen in Zeeland. M. Treub, Notes sur l'embryogénie de quelqaes Orchidées. C. K. HoFFMANN, Bijdrage tot de kennis der morphologie van den schoudergordel en het borstbeen bij reptihën, vogels, zoogdieren en den mensch. E. VA.N Rijckevorsel, Verslag aan Zijne Excellentie den Mi- nister van Koloniën, over eene magnetische opneming van den Indischen Archipel, in de jaren 1874—1879. En van de Afdeeling Letterkunde : het IXe deel der tweede reeks harer Verslagen en Mededeelingen, en het Xlle deel harer Verhandelingen, inhoudende: Mr. L. A. J. W. Sloeï, Het hoogadelijk, vrij wereldlijk Stift te Bedbur bij Kleef, en zijne juffers. Dr. S. Warren, Nirayavaliya suttam, een upanga der Jaina's ; met inleiding, aanteekeningen en glossaar. De Afdeeling Natuurkunde had in het afgeloopen jaar het verlies te lietreuren van Mr. Samuel Constant Snellen van Vollenhoven, den beroemden eutomoloog, wiens » Gelede Diereu van Nederland", wiens » Voortzetting van Sepp's Nederlandsche Insecten" en wiens » Piuacographia", de beide laatsten met uitnemend fraai gekleurde af beeldingeu , voor het meerendeel door den auteur zelven naar de natuur ver- vaardigd, tot blijvende heriunering zullen strekken aan zijne uitstekende gaven als natuuronderzoeker en als hanteerder der teekenstift; Dr. Gereit Jan Mulder, die er zooveel toe heeft bijge- dragen om Neêrland's roem in wetenschap in het algemeen, XCIX en meer bepaald op het gebied der Scheikunde, ook buiten onze landpalen te verhoogen, en die als de stichter van het nieuwere scheikundig onderwijs hier te lande mag worden aangemerkt ; Dr. KuDOLPH Herman Cheistiaan Carel Scheffer, den kundigen en hulpvaardigcn bestierder van 's Lands plantentuin te Buitenzorg, die zich door onderscheidene bijdragen als een gelukkig beoefenaar der flora van Nederlandsch-Indië had doen kennen en wiens gemis zeer ernstig gevoeld zal worden, ook aan de nog zoo kort te voren, door zijne zorgen, opge- richte landbouwschool en kultuurtuin; Dove en Clerk Maxwell, wier opneuiing onder onze buiten- landsche leden eene waardeeriug inhield hunner groote ver- diensten: van genen op het gebied der Meteorologie, van dezen op dat der mathematische Physica. Der Afdeeling Letterkunde trof het verlies van haren hoog gewaardeerden Onder- Voorzitter Willem Moll, sedert 1856 in die betrekking werkzaam, als kerkhistoricus in hoog aan- zien, en door allen die hem kenden om de gaven van geest en hart geacht en bemind ; en verder van hare leden Jhr. Mr. Jan Karel Jacob de Jonge, den gelukkigen beoefenaar van de geschiedenis onzes vaderlands, den fijn beschaafden kamp- vechter voor de rechten en de waardeering der kunst, hand- haver tevens onzer nationaliteit, op elk gebied binnen den kring zijner bemoeiingen ; en Eelco Verwijs, den even onver- moeiden als geleerden en geestigen beoefenaar onzer vader- landsche taal en letteren, aan wien vooral de Middelneder- landsche letterkunde zulke groote verplichtingen heeft, en wiens afsterven een onherstelbaar verlies is voor het Neder- landsch Woordenboek, waaraan hij de laatste jaren van zijn leven met zooveel ijver en zooveel bekwaamheid wijdde. Onder hare buitenlandsche leden verloor die ^f^eeling den geleerden Staathuishoudkundige Michel Chevalier. Wegens het bereiken van den 70jarigen ouderdom, werd door den Heer Leemans onder de rustende leden plaats genomen. a* c Aan het einde, Sire! van dit beknopt overziclit harer werkzaamlieden gedurende het afgeloopen jaar, veroorlooft zich de Akademie den wensch uit te spreken, dat de door haar gedane keuzen ter aanvulling der open plaatsen in haar midden Uwer Majesteits bekrachtiging mogen ondervinden, en grijpt zij deze gelegenheid aan om hare belangen opnieuw in Hoogstderzelver bescherming aan te bevelen. namens de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, De Algemeene Secretaris, C. A. J. A. OUDEMANS. De Heer Opzoomeb, duidt eene enkele plaats in het Jaar- verslag aan, waar kritiek over de mededeehng van een der Sprekers geoefend werd, zij het ook in goedkeurenden zin, en wijst op het minder passende eener zoodanige handeling. Wordt besloten den Secretaris uit te noodigen, de redactie der bedoelde zinsnede te wijzigen. Naar aanleiding van een paar opmerkingen der Heeren Place en Rauwenhoff, zullen enkele woorden in het Verslag door anderen worden vervangen. De Heer Opzoomer stelt voor, het Jaarverslag in 't ver- volg, vóór de Vereenigde Zitting, in proef aan de leden toe te zenden, opdat de lezing daarvan in de Vergadering zou kunnen achterwege blijven. De Secretaris ziet op dit oogen- blik geen bezwaar in het toegeven aan dien wensch, doch zou de zaak voorzichtigheidshalve gaarne aan de prudentie van het Bestuur zien overgelaten. Aldus wordt besloten. Het voorgedragen ontwerp wordt nu door de Ver- gadering goedgekeurd. Het Verslag zal Z. M. den Koning en, in afschrift, den Minister van Binnenlandsche ^aken worden aangeboden. Cl II. Vervolgens legt de Algemeene Secretaris, in overeen- stemming met Art. 1 2 van het Organiek Reglement, de Rekening en Verantwoording van zijn geldelijk beheer over, loopende van V April 1879 tot ult^ Maart 1880. REKENING en VERANTWOORDING van het door den Algemeenen Secretaris der Koninklijke Akademie van We- tenschappen, van primo April 1879 tot ultimo Maart 1880, gehouden beheer, volgens Art. 12 van het Organiek Re- glement, alsmede §§ 30 en 37 van het Reglement van Orde goedgekeurd in de Algemeene Vergadering der maand April 1880. Ontvangsten. Saldo op nieuwe rekening ƒ 153.36 Subsidie voor vier quartaleu a ƒ 4700. — . ƒ 18800. — Af zegel en leges ,/ 2.82 „ 18797.18 Opbrengst van den verkoop van boeken, zie Rekening- Courant van den Heer van der Post „ 167.43 Totaal ƒ 19117.97 Uitgaven. 1. Reis- en Verblijfkosten aan H.H. Leden buiten Amsterdam woonachtig of in Commissie. Natuurkundige AfdeeKng ƒ1785. — Letterkundige „ // 1773. — Nota van den Heer Opzoomer " j feaig // 3,60 // II II II II II II II H \ Prof. „ C.A.J.A.Oudemansj Moll. „ 2.40 ,/ Van der Waals 1 Bliksemaf- „ 7.50 1 leiders te „ Rijke \ Delft. „ 2.80 ƒ 3574.30 Transporteere ƒ 3574.30 „ 3350.— II 160.— cn per Transport ƒ 3574.30 2. Jaarwedden. Jaarwedde v. d. Algemeenen Secretaris. . . f 1000. — „ „ „ Secretaris der Letterk. Md. „ 500. — „ „ „ Klerk „ 1000.— „ ,/ „ Custos ,f 850. — 3. Onkosten der Commissie voor de daling van den bodem in Nederland. Eekening van Leijer enUurhanus /3X45 = / 135. — ,/ „ de Eoever-Kröber-Bakels, voor het drukken van 200 nieuwe tabellen . . „ 25. — 4. Onkosten der Commissie voor de uitgave van het Charterboek. Geene. 5. Onkosten der Commissie voor den overgang van Venus voorbij de zon. Eekening van J. Goedeljee ,/ 42. — e. Onkosten der Vergaderingen. Uitgaven op een notitieboekje, maandelijks met den Cus- tos verrekend ,/ 380.85 7. Bureau. Eekening van Albraclit en C° ƒ 33.10 „ „ Eeimeringer ,/ 111.50 „ ,/ van Es „ 3.50 Uitgaven op een notitieboekje, maandelijks met den Custos verrekend f, 59.46 „ 207.56 8. Expeditie, Vrachten, enz. Eekening van van der Wouden en Luber, Cargadoors ƒ 127.30 „ // Eeimeringer, lithograaf. . . ,/ 127.75 I, „ Lochtenberg, timmerman . . ,, 91.40 Uitgaven op een notitieboekje, maandelijks met den Custos verrekend ,/ 267.38^ „ 613.835 Transporteere ƒ 8328.54= cm per Transport ƒ 8328.54* 9. Huishoudelijke Uitgaven Rekening van v. d. Vliet, duinwater. . . Personeele belasting . . . Pies en Berger, turf en hout Eigenhuis, tuinman. . . . Lochtenberg, timmerman. . Leeuwenkuijl, lampenmaker. Beltrami en Balzari, schoor steenvegers II II Rincker, smid // „ Verdonck, steenkolen. . . Nieuwjaars- en Najaarsgift, dienstbode. . Uitgaven op een notitieboekje, maandelijks met den Custos verrekend // II // II II II II II II II II II f 10. Mobilair. Rekening van Juffr. Kernekamp, naaister . . ,/ ,/ van den Burg, schoonmaken 11. Bibliotheek, Catalogus, enz. AangekocJde Boehoerken. Rekening van Jos. Baehr te Frankfort H. W. Schmidt te HaUe. van Bakkenes en C. Tred. Muller en C". Joh. Muller. . . J. C. Schröder. . Caarelsen en C°. . P. N. van Kampen en C°. 16.— 59.30» 174.90 20.— 32.— 0.90 14.— 77.50 48.70 10.— 428.40 ƒ 21.- van bustes // 15.— // II Voskuijl, lijstemaker . . . . „ 4.— // II Lochtenberg, timmerman. . . „ 41.26 II II van der Pek en Bauschultze, behangers „ 80.95 II II Harry, thermometer voor de vergaderzaal // 3.— II II Ingenhoes, kastemaker. . . . „ 6.80 II II Hemker, schilder ..,..„ 31.50 21.60 35.82 5.50 16.80 78.30 62,65 111.60 51.20 881.70' 203.51 Transporteere ƒ 9413. crv per Transport / 9413.76 Catalogus, Inbinden, enz. Honorarium van den Heer Rogge. . Kekening van Eichhorn, Boekbinder. w II // 11 II // II II // II II II II II II II II -L oclite Loclitenberg, timmerman 500.— 178.40 137.45 131.— 199.90 13.50 154.40 35.48 1728.60 12. Uitgave van Werken. keni) ig V. deEoever-Kröber-! 5akels,afd.Nat f 336.50 /" // // II 269.50 II II II 363.50 II II II 230.— II II II 172.50 II II II 303.50 II II II 410.— II II II 196.50 II II II 466.— II II II 226.— „ Eeimeringer, litbograaf . 225.— // // II 55.— // // II 17.50 II II II 210.— „ C. Ijos Wzn. II 50.— „ A. J. Wendel II 56.— - // // II 410.— II II II 370.— „ V. d. Post, innaaien afd. Nat. 36.90' // Joh. Muller „ II II 227.40 // // // // II II 186.80 „ de Eoever-Kröber-Bakels, af( LLett 191.— // // II 1191.— ƒ/ // ^ // II 257.— // // // II 22.8.50 V // // II 190.— Transporteere ƒ 11142.36 c? Kekening v, E. J. Brill, afd. Letterk. II II II II II - ' I, C. G. V. d. Post, innaaien afd. Lett. ,/ Joh. Muller, // // // // // // // // „ ,1 V. d. Post, innaaien Jaarboek 1878. Honorarium van den Heer Laurent. . . . 13. Kleine Drukloonen. Rekening van de Eoever-Kröber-Bakels. . 14. Onvoorziene uitgaven Rekening van de Bruijn aan extra-gas I, I, Langeveld, stalhouder. per Transport f 11142.36 . ƒ 129.75 10.— 129.75 25.— 270.— 50.— 100.— . ƒ 134.50 • // 175.50 m. • ƒ 85.— • // 6.— 7590.60! 310. 91.— Totaal. . . ƒ 19133.96* RECAPITULATIE. 1. Reis- en verblijfkosten ƒ 3574.30 2. Jaarwedden w 3350. — 8, Commissie voor de daling van den bodem van Ne- derland 1/ 160. — 4. Commissie voor liet Charterboek ,/ 0. — 5. Commissie voor den overgang van Venus voorbij de zon « 42. — 6. Vergaderingen // 380.85 7. Bureau ,/ 207.56 8. Expeditie ,/ 613.83» 9. Huishouden ,/ 881.70* 10. Mobilair ,/ 203.51 11. BibHotheek en Catalogus // 1728.60 12. Werken // 7690.60* 13. Kleine Drukloonen w 310. — 14. Onvoorziene uitgaven // 91. — Totaal. . . / 19133.96* CVI REKENING en VERANTWOORDING van liet door den Algemeenen Secretaris der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, over liet jaar 1879/80, gehouden be- heer van het LEGAAT HOEUFFT. Ontvangsten. Saldo van het jaar 1878/79. . . . , ƒ 1432.58 6/m. Interest van ƒ 48000.— 2V2 pCt. W. S. ƒ 600.— Af saldo-biljet en provisie. „ 6.05 6/m. Interest van ƒ 48000.— 2V2 pCt. W. S. f 600.— Af visa, saldo-biljet en provisie. „ 6.35 „ 593.95 ,/ 593.65 Opbrengst van verkochte dichtwerken zz 8.61 Totaal. . . ƒ 2628.79 Uitgaven. Rekening van Greeve, frankeeren van prijsverzen, enz. . ƒ 11.20 // „ // reiskosten Utrecbt, en postzegels., f, 4. — // ,/ de Eoever-Kröber-Bakels, drukkers . . . „ 183.75 „ „ het Munt-CoUege te Utrecht „ 207.29 ƒ/ // van der Post, innaaiwerk „ 24.80 Aankoop van ƒ 1000.— 2V2pCt. W.S.Inschr. Grootb. a 64^8 pCt Interest. Provisie. Aankoop van ƒ 1000.— 2V2 pCt. W.S. Inschr, Grootb. a 65Vg pCt Interest. . Provisie. . ƒ 646.25 ,/ 10.97 „ 1.25 ƒ 651.25 ,; 0.28 // 1.25 „ 658.47 „ 652.78 Saldo op nieuwe rekening // 886.50 Totaal. . . ƒ 2628.79 cvn REKENING en VERANTWOORDING van liet door den Algemeenen Secretaris der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, over het jaar 1879/80, gehouden beheer van het Fonds voor de LEEUWENHOEK-MEDAILLE, 1875—80. Ontvangsten. Eemise van de Leeuwenlioeks Commissie ƒ 800. — „ 100.— „ 130.— // 10.- „ 47.52 II II II II II tl II II II Aan 13 Coupons W. S. a ƒ 3.96. . . 6/m. Interest 4 pCt. Insclir. W. S. a . Af provisie en billet 6/m. Interest 4 pCt. Inschr. W. S. a . . Af provisie, biUet en visa 6/m. Interest 4 pCt Insclir. W. S. a . . Af provisie en billet 6/m, Interest 4 pCt. Inschr. W. S. a . . Af provisie, billet en visa 6/m. Interest 4 pCt. Inschr. W. S. a . . ƒ 1000.— 0.25 ƒ 1000.— 0.55 ƒ 1000.— „ 0.25 ƒ 1000.— „ 0.55 ƒ 1000. Af provisie en billet. „ 0.25 19.75 19.45 19.75 19.45 19.75 Totaal. . . ƒ 1185.67 Uitgaven. Aankoop ƒ 800.— Cert. 4 pCt. W. S. a 997/8 pCt, Interest. Provisie. Aankoop ƒ 200.— Cert. 4 pCt, W.S. a 98V8 pCt Interest. Provisie. t. f 799.— • II 4.53 • // 1.— t. ƒ 197.25 • // 0.51 • // 0.25 3S. . ƒ 804.53 „ 198.01 „ 6.90' Declaratie van den Notaris J. C. G. PoUones. Nota van royementskosten ... n 3.70 Saldo op nieuwe rekening // 172.52» Totaal. . . ƒ 1185.67 cvm De Secretaris draagt daarbij eene Memorie van Toe- lichting voor, van dezen inhoud : Memorie van Toelichting hij de Rekenitig van den Algemeenen Secretaris. Aan de Rekening der gelden onder mijn beheer, die ik de eer heb over te leggen, zij het volgende ter mijner verant- woording toegevoegd. De uitgaven (ƒ 19133.96^) zijn ƒ 66.03^ onder de raming (ƒ 19200) gebleven, doch hebben de werkelijke inkomsten overschreden met ƒ 15.99. Het verschil tusschen raming en inkomsten vindt zijn oorsprong in de mindere opbrengst van verkochte werken. De post van ƒ 135 ten gerieve der Commissie voor de daling van den bodem van Nederland werd met ƒ25 overschreden, doordien de voorraad tabellen voor de berekeningen uitgeput was en er dus nieuwe gedrukt moesten worden. De ramingskosten van het Bureau (ƒ 200) werden met de geringe som van ƒ 7.56, en die der expeditie (f 500) met ƒ 113.83^ overschreden. Ten opzichte van het laatstgenoemde feit dient in het oog te worden gehouden, dat de ruilhandel van boekwerken tusschen onze Akademie en die van andere geleerde Instellingen buiten 'slands in de laatste jaren gaande- weg is toegenomen en dat, al naar gelang van de werkkracht, door onze Instelling ontwikkeld, het aantal te verzenden kisten, en daardoor ook de rekeningen voor de grondstoffen ter ver- zending en van den expediteur, meer of minder aanzienlijk moeten zijn. De huishoudelijke uitgaven bedroegen ƒ 81.70^ meer dan de raming (ƒ 800) en die voor het mobilair ƒ3.51, zonder dat die overschrijding aan andere dan tijdelijke oorzaken kan worden toegeschreven. Voor de Bibliotheek en den Catalogus werden ƒ 271.40 minder besteed dan was toegestaan, daar de gelden, voor het doen drukken en uitgeven van een nieuw stuk van den Cata- logua in reserve gehouden, dit jaar nog niet werden besteed. CIX De uitgave der werken daarentegen eisclite ƒ 390.60^ meer dan de som daarvoor toegestaan (ƒ 7200). Met liet oog op de uitgave van deel XII der Verhandeliugen van de Afdeeling Letterkunde, handelende over het Stift te Bedbur, waarvoor op eenmaal ƒ 1191 aan den drukker moest worden uitbetaald, niettegenstaande er twee jaren aan het drukken van dat werk waren besteed, en dus de helft dier som, onder gewone omstan- digheden, in het voorgaande jaar had kunnen zijn verrekend, is dit licht te verklaren en is het zelfs eenigermate te ver- wonderen, dat het deficit geen hooger cijfer bereikte. Het saldo van ƒ 157.71, toekomende aan de Commissie voor den overgang van Venus voorbij de zon, werd met ƒ 42 verminderd, op last der Commissie uitbetaald aan den photo- graaf Goedeljee te Leiden, terwijl van den post voor onvoor- ziene uitgaven (ƒ 107.29), waarvan ƒ 85 gebruikt werd voor eene gasilluminatie bij gelegenheid van het huwelijk des Konings, nog ƒ 16.29 in reserve bleef. - De rekening van het fonds Hoeufft heeft geene ophelde- ring noodig. De medaille, onlangs toegekend, is reeds aan den Heer EsseiVxV toegezonden, en voor de uitgave van het bekroonde prijsvers zal, zooals altijd, naar behooren gezorgd worden. De Algemeene Secretaris. Amsterdam, 3 April 1880. C. A. J. A. OUDEMANS. De Commissie, door de beide Afdeelingen der Akade- mie, overeenkomstig § 37 der Algemeene Bepalingen benoemd, tot het nazien van vorenstaande Rekeningen met de justificatoire bescheiden, brengt daarover het navolgende Rapport uit, waarmede de Vergadering zich vereenigt : De Commissie uit de beide Afdeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, benoemd tot het nazien der rekening en verantwoording over 1879 — 1880, overgelegd _door den Algemeenen Secretaris, heeft zich door een nauw- ex keurig onderzoek en door vergelijking met de b^gevoegde kwitantiën er van overtuigd, dat de gelden der Akademie door den Algemeenen Secretaris op nauwgezette wijze zijn beheerd, en zooveel mogelijk overeenkomstig de begrooting. Een afwijking van de begrooting heeft zich voorgedaan o. a. bij de kosten van expeditie, die de raming met ƒ 113.83'' en bij de kosten voor de uitgave van werken, die de be- grooting met ƒ 390.60^ hebben overschreden. Daartegen- over staan andere uitgaven, die beneden de raming gebleven zijn, o. a. die voor het Charterboek, welke op ƒ 300. — waren begroot en niets hebben bedragen, In het geheel is er ƒ 15.99 meer uitgegeven dan ontvangen, ofschoon onder de ontvangsten een voordeeHg saldo van het vorig jaar, groot ƒ 153.36^, begrepen is. De Commissie heeft ook de reke- ning en verantwoording van het Legaat Hoeufift in orde be- vonden, en stelt daarom voor, onder erkenning van het goede beheer van den Algemeenen Secretaris, beide rekeningen en verantwoordingen goed te keuren. (rjet.) J. D. VAN DER WAALS. J. P. SIX. TH. W. ENGELMANN. C. M. FRANCKEN. III. Het ontwerp van Begrooting van Inkomsten en Uit- gaven voor het volgende dienstjaar wordt onveranderd vastgesteld aldus: — Begrooting van Inkomsten en Uitgaven gaande van 10. April 1880 tot P. April 1881. Ontvangsten. 1. Gewone Subsidiën ƒ 18797.18 2. Vermoedelijk debiet van werken ,/ 249.82 Totaal. . . ƒ 19047.— CXI Uitgaven. 1. Saldo tekort van het vorige jaar ƒ 15.99 2. Reis- en Verblijfkosten „ 3500. — 3. Jaarwedden „ 3350. — 4. Commissie voor de daling- van Neêrlands bodem. „ 135. — 5. ,/ ,/ // Venus waarnemingen. . . . „ 115,71 6. // // II uitgave van het Charterboek. „ 300. — 7. Onkosten der Vergaderingen „ 350. — 8. Bureaukosten ^ 200. — !j. Expeditie ,, 500.— 10. Huishoudelijke idtgaven ,, 800. — 11. Mobilair „ 200.— 12. Uitgave van werken „ 7200. — 13. Kleine drukloonen „ 350. — 14. Bibliotheek en Catalogus ,, 2000. — 15. Onvoorziene uitgaven ,, 30.30 Totaal. . . ƒ 19047.- Be Algemeene Voorzitter, DONDEES. IV. Aan de orde zijn het verslag en de voorstellen der Hooger-Onderwijscommissie. De Voorzitter, in het af- geloopen jaar tevens Voorzitter dier Commissie, doet opmerken, dat bij haar was ingekomen een brief van de Natuurkundige Afdeeling der Akademie, ter begelei- ding van eene missive van het medelid P. HARTiNa, waarin de bijstand dier Afdeeling werd ingeroepen in zake den Hoogleeraar P. de Boer te Groningen tegen Z.E. den Minister van Binnenlandsche Zaken, die de woning des Hoogleeraars in den hortus botanicus al- daar wenschte te doen inrichten tot pharmaceutisch la- boratorium. Naar het gevoelen der Natuurkundige Afdeeling was cxn de Hooger-Onderwijscommissie meer dan zij bevoegd om kennis te nemen van het schrijven des Heeren Har- TING, en kon het bij voorkeur hare taak worden geacht, de bezwaren, daarin ontwikkeld, te overwegen en de middelen te beramen, die te boven te komen of voor het vervolg af te wenden. Aan het verlangen der Natuurkundige Afdeeling werd voldaan, doch nu ook besloten, de uitkomsten der be- raadslaging over de bedoelde aangelegenheid in deVer- eenigde Zitting kenbaar te maken. Het woord wordt dus gegeven aan den Secretaris der Hooger-Onderwijscommissie, den Heer Place, die er het volgend verslag over uitbrengt. . Amsterdam, April 1880. De Natuurkundige Afdeeling der Koninklyke Akademie van Wetenschappen heeft in Febr. jl. aan de Commissie voor Hooger-Onderwijs ter hand gesteld een bij haar ingekomen schrijven van ons medelid den Heer P. Harïing, strekkende om den bijstand der Natuurkundige Afdeeling in te roepen in zake den Hoogleeraar P. de Boer te Groningen tegen Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken, die de woning des Hoogleeraars in den hortus botanicus al- daar wenscht te doen inrichten tot pharmaceutisch labora- torium. Naar het gevoelen der Natuurkundige Afdeeling, was de Commissie voor Hooger-Onderwijs niet enkel bij uitnemend- heid bevoegd om kennis van het schrijven des Heeren Har- TiNG te nemen, maar mocht het meer in het bijzonder hare taak worden geacht, de bezwaren daarin ontwikkeld nauw- gezet te overwegen, en de middelen te beramen, die te boven te komen of voor het vervolg af te wenden. De Commissie heeft daarom gemeend haar antwoord niet aan de Natuurkundige, maar aan de beide Afdeeliugen der cxm Akademie te moeten richten en heeft de eer het volgende onder uwe aandacht te brengen. Er bestaat bij de deskundigen, zoowel bij ons als in het buitenland, geen twijfel daarover, dat de directeur eener we- tenschappelijke inrichting, zij het nu een observatorium of een hortus, een museum of een laboratorium, in die inrich- ting zelve of in hare onmiddellijke nabijheid behoort te wo- nen. Zonder dat kan zij niet volkomen aan haar doel be- antwoorden. Immers, die inrichtingen zijn niet alleen bestemd voor het theoretisch en practisch onderwijs, maar tevens voor het doen van wetenschappelijk onderzoek. Natuurlijk moet de direc- teur dat onderzoek óf zelf verrichten, óf althans persoonlijk leiden en is zijne tegenwoordigheid daarom bij voortduring zóó onmisbaar, dat een verwijderde woning als een zeer ern- stig nadeel moet worden beschouwd. In ons land is men van de noodzakelijkheid om aan de genoemde inrichtingen een woning voor den directeur te verbinden nog niet algemeen genoeg overtuigd. De labora- toria, die in de laatste jaren zijn verrezen, missen allen een directeurswoning ; alléén de hortus botanicus heeft daarop van ouds eene uitzondering gemaakt. Later is ook aan de ster- renwacht te Leiden een woning voor den hoogleeraar in de astronomie verbonden. De noodzakelijkheid der inwoning ligt daar trouwens ook meer voor de hand: voor de sterrenwacht, omdat de waar- nemingen grootendeels 's nachts geschieden; voor den hortus, omdat voortdurend op veel aan den staat toebehoorend, deels zeer kostbaar, materiaal en op een groot aantal ondergeschik- ten toezicht moet worden gehouden. Maar het valt niet te ontkennen, dat voor alle laboratoria het inwonen van den directeur een even onmisbaar vereischte is, en in Duitschland is het dan ook regel geworden. Indien nu niet van staatswege daarvoor gezorgd is, zal de Hoogleeraar slechts zelden in de gelegenheid zijn, in de onmiddellijke nabijheid van zijn werkplaats een woning te Jaauboeü iÜbO, -U CXIV vinden en zal het liem dan ook, althans op meer gevorderden leeftijd, onmogelijk worden zich zóó aan zijn taak te wijden als hij zelf wenschen zou. Eischt derhalve het belang van* het onderwijs en van de wetenschap, dat de Regeering voor eene woning der be- doelde directeuren zorg drage, daartegenover sta de verplich- ting van den directeur om van de hem aangewezen woning gebruik te maken. Hetgeen onlangs te Groningen geschied is, leert dat die belangen niet genoegzaam begrepen zijn ; ook is Uwe Commissie van gevoelen, dat de Koninklijke Akademie, naar aanleiding daarvan, een adres aan Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken behoort te richten, waarin kortelijk worde aangetoond, dat, in den tegenwoordigen stand der na- tuurwetenschap, het wonen der directeuren van laboratoriën, observatoriën , musea en andere inrichtingen van Hooger Onderwijs, waar voortdurend gewerkt wordt of althans be- hoort te worden, zullen zij aan haar doel beantwoorden, in of vlak bij die werkplaatsen hoogst gewenscht is, zoowel voor het onderwijs als voor het doen van onderzoekingen. De Commissie voor Hooger Onderwijs : T. PLACE, Secretaris. De Voorzitter opent over dit schrijven, en meer be- paaldelijk over de laatste alinea, de discussiën. Hieraan ntimen deel de Heeren Leeüa^^s, GuNNiNa, Opzoomer, C. A. J. A. OuDEMANs, Rauwenhüff, Stamkart, J. A. C. Ou DEMAKö en Beets. Hunne opmerkingen en vragen wor>len door den Voorzitter beantwoord en hunne bezwaren door hem bestreden of uit den weg geruimd. In een warm pleidooi wordt voorts door hem zelven de tusschenkomst der Akademie bij de Regee- ring, tot liet verkrijgen van laboratoria met woningen, aanbevolen. Met 29 tegeji 7 stemmen wordt in dien zin cxv besloten, en den Secretaris opgedragen, een adres aan den Minister van Binnenlandsche Zaken op te stellen, waarin de wenschen der Akademie te dien opzichte zijn neer- gelegd. Het adres zal gedrukt en aan elk lid der Akademie één exemplaar daarvan worden toegezonden. Yerder zal het in het eerstvolgend Jaarboek worden opgenomen. De Secretaris der Commissie voor Hooger Onderwijs doet verder verslag van de werkzaamheden der Commissie in het afgeloopen Akademiejaar in de volgende bewoor- dingen : VERSLAG DER COMMISSIE VOCE, HOOGEE, ONDERWIJS AAN DE VEREENIGDE ZITTING DER KONINKLIJKE AKADEMIE VAN WE- TENSCHAPPEN OP SATURDAG 24 APRIL 1880. De Commissie uit de beide Afdeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, benoemd om zich met de be- langen van het Hooger Onderwijs bezig te houden, heeft de eer. overeenkomsticp haar mandaat, aan Uwe vergaderiuo- van hare werkzaamheden verslag te doen. Dat mandaat, vastgesteld in de vereenigde zitting van 26 April 1879, luidde als volgt: De Commissie voor liet Hooger Onderwijs zal zich bezig houden met de belangen van het Hooger Onderwijs in Ne- derland; het oog richten op de maatregelen, te dien opzichte door de Regeering voorgesteld of genomen ; zelve, waar eigen ervaring of het voorbeeld van andere landen den weg wijst, veranderingen of aanvullingen beramen ; eindelijk, de Aka- demie hare voorstellen doen, zoo dikwijls zij zelve dat wen- schelijk zal achten, doch in ieder geval verslag uitbrengen van- hare werkzaamheden in elke jaarlijksche vereenigde zit- ting van de beide Afdeelingen der Akademie. H* CXVI De Commissie, doordrongen van de beteekenis harer taak, heeft zicli daaraan met ernst gewijd. Aan de gehouden bij- eenkomsten werd dan ook door de meeste leden belangstel- lend deelgenomen. In hare eerste vergadering, gehouden in November, nam zij het besluit, zooveel mogelijk boeken en stukken te verzamelen, die op het Hooger en Middelbaar Onderwijs betrekking hebben, en tevens statistieken en verdere bouwstoffen bijeen te bren- gen, dat Onderwijs betreffende. Al aanstonds werd daarmede een aanvang gemaakt, naar- dien door verschillende harer leden een kleine, doch niet on- belangrijke, verzameling werd afgestaan, die in de boekerij bewaard, doch afzonderlijk gecatalogiseerd is. De Commissie acht een dergelijke collectie voor haren arbeid onmisbaar en richt tot alle leden het verzoek, haar daarin te willen onder- steunen. De Commissie zal zich voorts met buitenlandsche Com- missiën van soortgelijken aard in betrekking stellen om van alles wat elders op dit gebied verricht wordt, kennis te nemen. Het grootst gedeelte van haren arbeid heeft de Commissie in een afzonderlijk rapport neergelegd, dat reeds in druk [trouwens als proef j aan de leden ter beoordeeling aangebo- den is. Het gold den invloed, dien de Wet op het Hooger Onder- wijs gehad heeft op het volgen der lessen aan de Universi- teiten en de middelen die tot verbetering zouden kunnen leiden. De groote omvang van dien arbeid deed spoedig de wen- schelijkbeid gevoelen, het voorloopig onderzoek slechts aan eenige leden der Commissie op te dragen en daarom werd een kleinere Commissie van voorbereiding in het leven ge- roepen, die, onder leiding van den Voorzitter, zich nauwgezet met de haar voorgelegde vragen bezig hield en hare bevin- dingen ten slotte aan het oordeel der voltallige Commissie onderwierp. Het resultaat dier beraadslagingen is in uwe handen. cxvn RAPPORT DER HOOGER ONDERWIJS-COMMISSIE UIT DE BETDË AFDEELINGEN DER KONINKLIJKE AKADEMIE YAN WETENSCHAPPKN. De Commissie uit de beide afdeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, benoemd om te verzamelen en te onderzoeken, wat op het Hooger Onderwijs betrekking heeft, is in het afgeloopen jaar herhaaldelijk bijeengekomen en heeft zich, onder leiding van den algemeenen voorzitter, ernstig bezig gehouden met de haar opgelegde taak. Voornamelijk vond zij aanleiding, een onderzoek in het werk te stellen naar de oorzaken van den ongunstigen invloed, dien de Wet op het Hooger Onderwijs uitgeoefend heeft op het bezoek der lessen, en zij neemt de vryheid aan Uwe ver- gadering van hare bevindingen verslag te doen. Aan elke der universiteiten en in alle faculteiten wordt van het onderwijs niet genoeg gebruik gemaakt. Mochten sommige lessen zich in een trouwe opkomst van een ruim aantal hoorders verheugen, andere werden zeer slecht be- zocht en enkele konden in het geheel niet worden ge- geven, uit gebrek aan hoorders. Dat deze ongunstige toestand aan de nieuwe Wet op het Hooger Onderwas te wijten is, lijdt geen twijfel; want er is geen reden hoegenaamd om aan te nemen, dat de belang- stelling der studenten zoo plotseling een vermindering zou hebben ondergaan. Twee artikelen der Wet komen volgens het oordeel der Commissie hier voornamelijk in aanmerking, te weten art. 64 en 65, waarbij de finauciëele voorwaarden voor het volgen van het onderwijs worden bepaald. De zeer schadelijke ge- volgen dier bepalingen, naar het schijnt door niemand voor- zien, zijn niet uitgebleven. Volgens het oude stelsel, aan de rijks-universiteiten van kracht, betaalde de student voor elke les 30 of 15 gulden en had dan het recht die les- sen zoovele jaren te volgen als hij verkoos. De omvang der examens maakt, dat voor het afleggen van een examen veelal een tweejarige studie noodig is en dat een aantal lessen (rxviii in illds voor enkele loHsen in,scliri)ven, anderen doen dat roods in li(!t eerst»; jaar, terwijl eindelijk een niet gering aan- tal, voornani(>lijk in de rechtsgeleerde faculteit, zich in het twoode in "1 geheel niet laat inschrijven. Wij voeg(Mi hieraan eonige statistieke opgaven toe, omtrent do verhouding tussclum hen, die zich voor het volle bedrag dor coUogegolden of slechts voor enkele lessen lieten in- schreven. Leiden 1870—1880. Geteckend bij herhaling op alle colleges. . . 274 Op enkele lessen 80 354 Op nieuw ingeschreven op alle colleges ... 51 Op enkele lessen 64 115 469 Bij vergelijking valt in het oog, dat de geneigdheid om op alle colleges te teekenen zeer sterk verminderd is. Van de 51 nieuwelingen, die op alle colleges geteekend hebben, zijn er niet minder dan 33 medici ; slechts 3 me- dici hebben voor 2 en 1 collegie geteekend. Van de 60 ju- risten van het eerste jaar hebben er maar 7 de volle som gestort. cnx Geteekend oj> alle 1^«8«b » * 2 > 2^i S ^^1 Te Utreekt l.^ ^^ ^r j^eaeesiraaaidai^ laieuitieai; ket %a.B3istl iergeaea- die op eaJtele leü&ea •ceekeaem- EÏex üjo ooJaediiidead. terwgl LQ lie jaxidbdaie laemilKiT: c-i'edbaa zeer w^am^gym. ket vo-Jle bedrag: stiortieiu Ororcmoen 1879 — 1 ? 80 . Iiii«seiLre»eii M«tt. Lint. ThewL Jn»:. Plii_ 1 juiu Voor ket e«^t- toot aELeldsaaa. 10 1 8 <* ^ 22 3| kerhaling. * ^ > 8 1 9 17 2 ^7 -'T- Tcrvf ejaitie leaaea 1-? 4 O 15 4 1»S * * * 49 11 e 2S IS 19 De MÏixL. raKd. >Cüi^ £§3. ■BTegg^ïaöisa- * ^ dew ^ aoofdsTs sga «, otse iet r^aHiiffB trswt cxx Men verwachtte dat bij de invoering der nieuwe wet van het onderwijs een ruimer gebruik gemaakt zou worden, omdat niet voor elke les afzonderlijk behoeft betaald te worden. De uitkomst leert juist het tegendeel. De inschryving heeft in vele gevallen slechts voor enkele lessen plaats : natuurlijk worden daarvoor de examenvakken gekozen en de lessen in andere vakken worden niet gevolgd. Om in dien niet onbedenkelijken toestand verbetering te brengen, scheen wijziging der genoemde artikels geboden, en de Commissie heeft verschillende voorstellen daartoe in overweging genomen. Wel rees al aanstonds twijfel, of de tijd gekomen ware om op herziening der wet aan te drin- gen; maar de Commissie heeft zich daardoor toch niet laten terughouden van haar onderzoek. De bedoelde voorstellen waren drie in getal, te weten: 1^. voor ieder college betalen als vroeger, maar het bedrag storten in de schatkist; 2^. de examina belasten met de collegegelden ; 3*^. het inschrijvingsgeld behouden, maar met wijziging der bestaande regeling. Elk dier voorstellen heeft zijne eigenaardige bezwaren, zoodat de Commissie geen hunner onvoorwaardelyk zou dur- ven aanbevelen, al springt terstond in het oog, dat een wijziging in den zin van een dier voorstellen met groote waar- schijnlijkheid er toe leiden zou, dat van het aangeboden on- derwiys een ruimer gebruik zou worden gemaakt. De bezwaren, aan het eerste voorstel verbonden, zijn vooral hierin gelegen, dat daardoor het ideaal van den wetge- ver, namelijk vrije beschikking Wer alle lessen, komt te vervallen, terwijl daarenboven het gevaar bestaat, dat zonder gelijktijdige verandering in het Akademisch Statuut, wat de bepalingen omtrent de examina betreft, toch op vele colle- ges niet of slechts weinig zal worden geteekend. Eindelijk zou ook de controle eigenaardige zwarigheden opleveren. Het stelsel, in het tweede voorstel vervat, beveelt zich aan, doordien het vrije beschikking medebrengt over alle lessen en fraude grootendeels uitsluit. Het is echter in strijd met CXXI het beginsel der Wet: vrije studie. Welliclit zou vrijstelling kunnen worden verleend aan hen, die van het onderwijs geen gebruik maken. Bewijs en controle zijn echter beide moeilijk. Voorts geniet hij, die het onderwijs volgt, zonder examen te doen, een voorrecht, dat hem uiet toekomt, en is daarvan veel misbruik te wachten, — Hierbij komt, dat de wet afzonder- lijke bepalingen zou moeten inhouden voor de theologanteu, die een proponents-examen hebben af te leggen; voor de te Utrecht studeerenden uit de Paltz en uit Hongarije, die hier niet geëxamineerd worden; voor hen, die zich aan de exa- mens van het Middelbaar Onderwijs wenschen te onderwer- pen; voor doctorandi in de geneeskunde, die nog één, soms twee jaren wachten, vóór ze het arts-examen doen ; voor apo- thekers en voor tandmeesters, in zooverre ze door Staats- Commissiën worden geëxamineerd; voor militaire apothekers, bestemd voor den dienst in Indië, die aan de Universiteit te Utrecht worden opgeleid, en zeker nog wel voor andere ca- tegorieën. — Voorts zou de wet moeten te rade gaan met de examens van iedere faculteit. Sommige hebben een propaedeu- sis, andere niet; het doctoraal-examen hebben de theologan- ten niet af te leggen; voor medici volgt een staats-examen ; de examens verschillen in omvang en daarmede de tijd tot voorbereiding gevorderd en het aantal der te volgen lessen. Een en ander gebiedt een beknopte aanwijzing van kosten voor de verschillende examens in de wet. Dit nu scheen niet wel mogelijk zonder aanwijzing ook van de examens. Dergelijke aanwijzing heeft zeer groote bezwaren : wat wij in de Wet bg zonder waardeeren is, — dat die aanwijzing ontbreekt. Niettegenstaande de vele hier opgesomde bezwaren, scheen het der Commissie toch der moeite waard, dit voorstel nog nader te onderzoeken en werd door één harer leden in dien geest een voorstel tot wetswijziging uitgewerkt. Daaruit bleek, dat althans de bezwaren, uit de verscheidenheid der examina voortvloeiende, niet onoverkomelijk zouden zyn. Maar de Commissie kon zich niet ontveinzen, dat de princi- cxxn piëele bezwaren, die het voorstel aankleven, nog duide- lijker uitkwamen. Onderwijs en examen treden liier in een correlatief verband, wat met het beginsel van vrije studie in strijd is. Nergens behoort meer voor een diploma betaald te worden dan noodig is om de kosten van het exa- men goed te maken, en bij faculteits-examina zijn die kosten zeer gering. Bezwaart men nu het examen met de kosten van het onderwijs, dan begaat men een onbillijkheid tegenover hen, die van het onderwijs geen gebruik hebben gemaakt, tenzij men tot eventuëele vrijstelling mocht willen besluiten, met alle daaraan verbonden moeilijkheden van bewijs en controle. Het derde voorstel eindelijk behoudt het stelsel der Wet, evenwel in gewijzigden vorm. Art. 64 zou moeten luiden: Voor inschrijving op alle lessen zal van alle studenten, die een faculteits-examen wenschen af te leggen een fixum worden gevorderd ten bedrage van ƒ150, voor theologanteu van ƒ100, en hoogstens over 5 jaren te voldoen. Doctorandi zijn vrijgesteld. Om tot een faculteits-examen te worden toe- gelaten, moet men het bewijs overleggen, dat men de ver- schuldigde inschrijvingsgelden heeft voldaan. Art. 65 zou moeten luiden: Zij die geen faculteits-examen wenschen af te leggen, kunnen zich voor afzonderlijke lessen laten inschrijven. Melden zij zich later voor zoodanig exa- men aan, dan wordt bijbetaling tot het volle bedrag der inschrijvingsgelden gevorderd, voor elk jaar dat zij slechts enkele lessen volgden. De Commissie is van oordeel, dat dit voorstel geheel in overeenstemming is met den geest der Wet, die niet verbiedt te letten op de bedoeling van hen, die van het onderwijs gebruik maken. Dat zij, die studeeren om een graad te ver- werven, het volle bedrag der inschrijvingsgelden storten, is niet meer dan billijk. Aan de te groote kostbaarheid van de studie der medici, waarvoor zeven jaar gevorderd wordt, wordt te gemoet gekomen door de bepaling, dat die gelden slechts ten hoogste 5 jaren verschuldigd zyn, in verband met het cxxm verminderen van het bedrag, terwijl tevejis de vrijstelling van doctorandi tot het rustig bewerken van een proefschrift on- der het kostelooze gebruik van alle hulpmiddelen der Univer- siteit gelegenheid geeft. Aan dit overigens zeer aanbevelenswaardig voorstel is evenwel nog een bezwaar verbonden, dat niet uit den weg te ruimen is en dat althans voor een deel het doel ver- ijdelt. Juristen, namelijk, wellicht ook literatoren, zullen voor een deel het tweede jaar vóór hun candidaats- en vóór hun doctoraal-examen van de lessen in het geheel geen gebruik maken, om van de betaling van het inschrijvingsgeld ontheven te zijn. Maar ondanks dit bezwaar scheen gezegd voorstel aan de Commissie toch toe boven de beide anderen verkieslijk te zijn, omdat het zich aan het beginsel der Wet houdt. En had zij gemeend, U te moeten uitnoodigen, om op wetswijziging bij de Regeering aan te dringen, zij zou aan wijziging in den genoemden zin de voorkeur hebben gegeven. Aan de eene zijde echter kwam het haar voor, dat de ondervinding om- trent de noodzakelijkheid, zoowel als omtrent den meest ge- wenschten vorm van wetsherzieuing nog niet voldoende had uitspraak gedaan, aan de andere zijde, dat bij eventuëele wij- ziging der Wet ook andere punten zouden moeten worden herzien, en zij heeft zich daarom de vraag voorgelegd, in hoever zonder wetswijziging alvast eenige verbetering in den bestaanden toestand te verkrijgen ware. Het zwaartepunt der op te lossen kwestie ligt in de -rege- ling der studie, en er moest dus worden onderzocht, in hoever door middel van het statuut op den gang der studie invloed kan worden uitgeoefend. De Commissie nu is van oordeel, dat in het statuut werkelijk voor een deel de schuld ligt, dat van de lessen niet zooveel gebruik wordt gemaakt als in 't belang der studie zou wenschelijk zijn. Algemeen wordt erkend, dat de regeling der examina veel te wenschen over- laat. Aan de eene zijde is het getal der examenvakken, dat men algemeen wenschte verminderd te zien, — ondersteld, dat CXXIV grondige kennis in al die vakken wordt verlangd, — in eenige faculteiten te groot gebleven, en aan de andere zijde heeft liet afschaffen der testimonia er toe geleid, dat de vakken, waarin niet geëxamineerd wordt, geheel verwaarloosd worden. Zij worden niet gegeven, en bijaldien gegeven, door zeer wemigen gehouden. Het was dus de vi*aag, of a. het examen in sommige vakken niet moest plaats maken voor een testimonium, en h. of op sommige vakken, waarin niet geëxamineerd wordt, het tes- timonium-stelsel niet behoorde te Avorden toegepast, In beginsel schijnt het testimonium-stelsel aangewezen voor vakken, die wel in nauw verband staan met de hoofdstudie, maar niet tot hare grondslagen behooren; voor vakken, die hunne vertegenwoordigers vorderen, om er de traditie van te bewaren, maar waarmede niet ieder, die zich aan zeker hoofdvak wijdt, zich bijzonder behoeft bezig te houden; voor vakken eindelijk, die met de hoofdstudie in geen bijzondere betrekking staan, maar die een hooge beteekenis hebben voor algemeene vorming en voorbereiding, zooals logica en vader- landsche geschiedenis. Met het oog hierop heeft de Commissie zich bezig gehou- den met het onderzoek der .volgende drie vragen: 1*^. of de bewering juist is, dat het beginsel der Wet het testimonium- stelsel zou uitsluiten, ook bij toepassing in den vorm, door den Utrechtschen Senaat aanbevolen in zyn adres aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 13 Februari 1875 (blz. 15 en v.); 2^. in hoeverre met de afschaffing der col- legegelden de bezwaren, vroeger van de zijde der docen- ten tegen het stelsel geopperd, kunnen geacht worden te zijn vervallen; 3^. welke voorwaarden de docent aan het afgeven van het testimonium ondersteld wordt te verbinden. Bij de overweging van de eerste der drie genoemde vragen heeft de Commissie lang stil gestaan, omdat het antwoord daarop tegelijk beslist, of de invoering van testimonia bij het academisch statuut bereikbaar is al dan niet. Door sommige leden Uwer Commissie werd die invoering zeer gewenscht, en ook de mogelijkheid daarvan met warmte ver- cxxv decligd. De discussie leidde echter meer en meer tot de over- tuiging, dat inderdaad de geest der Wet een testimonium- stelsel, in welken vorm dan ook, uitsluit. Wel is waar ver- biedt de Wet niet uitdrukkelijk het uitreiken van testimonia, maar blijkbaar is de wetgever uitgegaan van het denkbeeld eener volkomen scheiding tusschen het onderwijs en de exa- mina. Dit blijkt ten volle uit art. 85, waarvan de eerste woorden luiden: »Tot het afleggen der examens wordt ieder, » onverschillig waar hij de daarvoor vereischte kundigheden heeft » opgedaan, toegelaten." Bij invoering uu der testimonia zou- den onderwijs en examen weer met elkander in verband worden gebracht en de vStaat zou zijn monopolie hernemen, door begun- stiging der leerlingen die van zijn inrichtingen gebruik maken. Nog meer dan art. 85 is wellicht . art. 87 met het testi- monium-stelsel in strijd. Dit art. toch bepaalt, dat alle exa- mens aan de universiteiten door de faculteiten worden afge- nomen. Een privaat-onderzoek naar de bekwaamheid van den student, als voorwaarde voor het uitreiken van het testimo- nium, schijnt dus verboden. De beantwoording der beide andere vragen kan natuurlijk niet veel belang meer inboezemen, indien de eerste in dien zin is beslist, dat de invoering onmogelijk wordt geacht. Hier zij alleen vermeld, dat enkele leden der Commissie van oordeel waren, dat de herinneringen aan de misbruiken nog te leven- dig zijn, om een herstel der testimonia mogelijk te achten, terwijl anderen meenden (in overeenstemming met het ge- voelen van den Utrechtschen Senaat), dat de gronden, waarop vroeger de testimonia zoo sterk werden veroordeeld, thans vervallen zijn, en niet dan noode toegaven, dat de wet het weder invoeren niet schijnt te gedoogen. Wat de derde vraag betreft, de regeling der voorwaar- den, waarop een testimonium behoort te worden afgegeven, is de Commissie niet tot een afdoend antwoord gekomen. Het voorstel om, zonder tentamen, het testimonium te ver- leenen aan hoorders, die blijken van belangstelling hadden gegeven, en hen, die geen belangstelling getoond hadden, aan CXXVI het examen te onderwerpen vond, om de moeilijklieid der beoordeeling, geen algemeenen bijval, terwijl het tentamen eensdeels te zeer in strijd scheen met art. 87 der Wet en anderdeels de bedoeling der testimonia geheel dreigt te ver- ijdelen. Immers, de docent, zoo meende men, zou allicht zwichten voor den aandrang der studenten en aan geheel onkundigen het testimonium uitreiken, of gevaar loopen in een ander uiterste te vervallen en zijne eischen veel te hoog op te voeren. Staat nu tot bereiking van het beoogde doel geen andere weg open? Wat beoogd wordt is enkel dit : dat, in 't belang der studie, het onderwijs beter gevolgd worde. De ondervinding nu heeft, naar het oordeel Uwer Commissie, bewezen, dat alléén door uitbreiding der verplichte vakken dit doel zal te bereiken zijn. Welnu — men examineere in al die vakken, waarvoor een testimonium zou zijn noodig geacht, maar examineere daarin op andere wijze. Bij de aanwijzing der vakken worde duidelijk uitgedrukt, in welk vak een graad van kennis zal worden geëischt, zooals die alléén door opzettelijke beoefening kan worden verkregen, en in welk vak de examinandus zal kun- nen volstaan met zoodanige algemeene noties, als door een trouw bezoek van het college kunnen worden opgedaan. Wat- gewenscht wordt is immers dit, dat de student niet geheel vreemd zij op het gebied der aanverwante vakken, die met zijne hoofdstudie in verband staan, zonder töt hare grondslagen te behooren, en wier hoofdtrekken hij ken- nen moet, als men universitaire vorming van hem verlangt. Bepaalt de studie zich tot de hoofdvakken, dan kan een be- klagenswaardige eenzijdigheid niet uitblijven, en de univer- siteiten zouden gevaar loopen in een vereeniging van vak- scholen te ontaarden. Alléén wanneer de studie niet bin- nen zoo enge grenzen beperkt blijft, kan die algemeene ont- wikkeling worden verkregen, waarop men terecht hoogen prijs stelt, en waarvan de geschiktheid tot een wetenschap- pelijk beroep in nog hoogere mate afhangt dan van den CXXVII graad der aangeleerde bedrevenheid, die toch eigenlijk groo- tendeels eerst in de praktijk verkregen wordt. Het hier ontwikkelde voorstel, dat op een vermeerdering der examenvakken met vermindering der eischen in sommio-e dier vakken neerkomt, is én in overeenstemming met het beginsel der Wet, én heeft boven het stelsel der testimonia in elk geval dit voordeel, dat de beoordeeling nooit aan een enkel persoon, maar aan de examineerende faculteit blijft overgelaten, wat tot een heilzame controle aanleiding geeft. Zoowel een te groote toegeeflijkheid als een te hoog opvoeren der eischen van de zijde des examinators, worden daardoor binnen de noodige perken gehouden. Een nadeel zou het zijn, in- dien de student, zich niet duidelijk rekenschap gevende van hetgeen van hem wordt verlangd, bij het grooter aantal vak- ken, die te gelijk moeten worden beoefend, de studie van het meer bij die van het minder belangrijke mocht achter- stellen. Doch te dien opzichte zal de praktijk ook al spoedig de noodige aanwijzing geven. Nadat de Commissie tot de overtuiging was gekomen, dat de hier voorgestelde weg de juiste was, heeft zij ge- meend, tot een voorloopige aanwijzing te moeten overgaan van de veranderingen, die, wat de bepalingen omtrent de examina betreft, in het akademisch statuut zouden worden vereischt. Het kan niet bij haar opkomen, een voorschrift te willen geven voor het te ontwerpen statuut. Daarover zal de Minister de Senaten der rijks-universiteiten hebben te hooren. Wat zij beoogt, is, als het ware, aan een voorbeeld te laten zien, welke veranderingen in aanmerking- komen. Zij heeft daarbij rekening gehouden met den omvang der vakken, die in één examen vereenigd zijn en met de inspanning, die hunne beoefening kost, en terwijl zij b^ eenige examina het aantal vakken heeft vermeerderd, heeft zij van sommige vak- ken de eischen verminderd, door te bepalen, dat van die vakken slechts de kennis der hoofdtrekken zal worden ver- langd. Deze uitdrukking is niet vreemd aan het statuut. Bij de bepalingen omtrent de examens in de theologische cxxYin faculteit wordt die uitdrukking herhaaldelijk aangetroffen, en terwijl ze daar tot geen moeielijkheden heeft aanleiding gegeven, is er een reden te meer om zich ook bij de andere faculteiten daarvan te bedienen. De Commissie heeft zooveel mogelijk vermeden in bijzon- derheden te treden, daar de samenstelling van het statuut niet tot hare taak behoort, en heeft zich in haar project, dat slechts als voorbeeld dienen moet, buitendien bepaald tot drie faculteiten, namelijk die der wis- en natuurkunde, die der geneeskunde en die der rechtsgeleerdheid. ' FACULTEIT DER WIS- EN NATUURKUNDE. Candidaats-Examen voor het Doctoraat in I. Wis- en Sterrekunde IL Wis- en Natuurkunde. III. Scheikunde. IV. Aard- en Delfstof- kunde, V. Plant- en Dierkunde. VI. Artsen ij bereid- kunde. Wiskunde (volgens statuut). Natuurkunde. Scheikunde. Sterrekunde. Hoofdtrekken der Plantkunde, der Dierkunde en der Delfstofkunde. Wiskunde (volgens statuut). Natuurkunde. Scheikunde. Hoofdtrekken der Sterrekunde. Hoofdtrekken der Plantkunde, der Dierkunde en der Delfstofkunde. Natuurkunde. Scheikunde. Hoofdtrekken der Plantkunde, der Dierkunde en der Delfstofkunde. Het doctoraal examen ondergaat geen verandering. FACULTEIT DER GENEESKUNDE. Propaedeutisch Exarnen . Natuurkunde. , Scheikunde. Hoofdtrekken der Plantkunde. » » Dierkunde. CXXIX Candidaats-Examen. Ontleedkunde. Physiologie en weefselleer. Algemeene pathologie. Pharmacognosie. Doctoraal Examen. Ziektekundige ontleedkunde. Bijzondere Pathologie en Therapie. Hoofdtrekken der Pharmacodynamie. Praktijk aan het ziekbed. Ophthalmologie. Theoretische Heelkunde. » Verloskunde. Hoofdtrekken der Gezondheidsleer en der medische pohtie. » » Medicina forensis. FACULTEIT DER RECHTSGELEERDHEID. Candidaats-Examen. Geschiedenis en grondbeginselen van het Ronieinsch Recht. Hoofdtrekken van de Encyclopaedie der Rechtswetenschap. » » Staathuishoudkunde. » » Pandecten. » » Logica. » » Vaderlandsche Geschiedenis. Jaarboek 1880. cxxx Doctoraal Examen in de RECHTSWETENSCHAP. STAATSWETENSCHAP. Burgerlijk recht. Staatsrecht. Handelsrecht. Volkenrecht, administratief Staatsrecht. recht. Strafrecht. Hoofdtrekken van Internatio- Hoofdtrekken der Burgerlijke naai privaatrecht. Rechtsvordering. Hoofdtrekken van Staatsin- Hoofdtrekken d. Strafvordering. stellingen van Nederland en » vaü het oud va- zijne o ver zeesche bezittingen. derlandsch recht. Hoofdtrekken van Staathuis- Hoofdtrekken van het inter- houdkunde. nationaal privaatrecht. Hoofdtrekken van Statistiek. De Commissie acht hiermede de taak volbracht te hebben, die zij zich gesteld had, namelijk het opsporen en aanwijzen der middelen, waardoor de nadeelige invloed der Wet óp het houden der lessen, en hierdoor ook op de studie in 't algemeen, alvast voor een deel zou kunnen worden opgeheven. Zij heeft niet gemeend U te mogen voorstellen, tot het bereiken van dit doel al aanstonds op wetsherziening aan te dringen. Zij verlangt voorshands alleen wijziging van het zoogenaamd Akademisch Statuut, binnen de grenzen der Wet, en is van oordeel, dat de uitkomst der door haar aanbe- volen wijziging niet ongunstig zijn zal. In elk geval zal langs dezen weg nader kunnen blijken, óf, en, zoo ja, welke wets- wijziging op dit punt noodig is. Ook op andere punten zijn voorstellen tot wijziging bij uwe Commissie aan de orde gesteld, en van den uitslag harer beraadslagingen hoopt zij later in deze vergadering mededeeling te doen. Het zal zeker wenschelijk zijn, dat omtrent die verschillende punten gelijk- tijdig de zienswijze der Akademie aan de Regeeriug worde kenbaar gemaakt. De Commissie stelt voor, van dit verslag mededeeling te CXXXI doen in de eerste plaats aan den Koning, en voorts afdruk- ken te zenden aan den Minister van Binnenlandsclie Zaken, aan den Minister van Financiën, aan liet College van Cura- toren, aan den Senaat van elke der vier Universiteiten en aan ieder Senaatslid in het bijzonder. De Commissie voor Hooger Onderwijs: F. C. DONDERS, Voorzitter. T. PLACE, Secretaris. 10 April 1880. De Voorzitter resumeert de denkbeelden, in het rap- port neergelegd, en meent dat zij onder de volgende punten kunnen worden saamgevat. De wet, die zorgt voor degelijk onderwijs, mist ten eenen- male haar doel, wanneer zij meebrengt dat van dit onder- wijs geen gebruik wordt gemaakt. Hiermede is het hooge belang van het door de Commissie behandeld onderwerp aan- gewezen. De uitkomsten van haar onderzoek zijn de volgende: 1*^. De wet van 28 April 1876 heeft een ongunstigen invloed gehad op het bezoek der colleges : dit blijkt uit de statis- tiek der inschrijvingen en uit de berichten der docenten. 2^. De oorzaak daarvan is te zoeken in Art. 64 en 65. 30. Er moet worden onderzocht, welke wijzigingen der genoemde artikels in aanmerking komen. 4P. Terugkeer tot het oude stelsel: voor ieder college be- talen (het bedrag te storten in de schatkist) geeft het ideaal prijs van den wetgever: vrije beschikking over alle lessen; maakt controle moeielijk en zou, om doel te treffen, herzie- ning vorderen van het statuut. 5*^. De examina belasten met de collegegelden, zou een aanwijzing vorderen van alle examina in de wet, om ze te I* CXXXII tarifieeren en de vrijstellingen te bepalen — welke aanwijzing zeer ongewenscht is — en is bovendien in strijd met het be- ginsel van vrijheid van onderwijs. 6*^. Het tegenwoordig stelsel behouden, met reductie van het inschrijvingsgeld, verdient de voorkeur en zou, verbon- den met wijziging van het statuut, het doel kunnen bereiken. 70. Herziening van het statuut, in dien zin dat kennis in meer vakken bij de examens gevorderd wordt, kan, ook zonder wetswijziging, verbetering aanbrengen, 8^. Toepassing van het testimoniumstelsel op een deel dier vakken is in strijd met het beginsel der wet. 9*^. Er zal dus moeten worden aangewezen, in welke vakken een meer grondige kennis, in welke slechts de hoofd- trekken gevorderd worden. 10°. De bedoelde wijziging van het statuut wordt aan- bevolen. Blijkt, ook na die wyziging, wetsverandering noodig te zijn, dan kan deze aan de Regeering worden aanbevolen te gelijk met andere wijzigingen, die bij de Commissie aan de orde zijn gesteld. De debatten over het Rapport worden thans geopend. De Heeren Boot, C. A. J. A. Oudemans, Buys Bal- lot en J. A. C. OüDEMAXS dragen eenige aanmer- kingen voor op het project van statuuts-verandering, 'twelk, als voorbeeld van hetgeen in dat opzicht zou kunnen gewenscht worden, aan het Rapport is toe- gevoegd. Zij worden ten deele door den Heer de GtEER, ten deele door den Voorzitter beantwoord, die beiden de geopperde bezwaren trachten te weerleggen. Onder- tusschen is er bij sommige leden bedenking gerezen, of een Rapport eener Commissie wel een onderwerp van discussie en van voorstellen tot verbetering kan zijn, en vindt de Heer Opzoomer, die dit ten sterkste ont- kent, hierin aanleiding om voor te stellen dat de debat- ten over het Rapport niet verder voortgezet en eerst CXXXIII zal worden uitgemaakt: of dit laatste voor wijziging vatbaar is, ja of neen? Andere leden meenen dat het doeltreffender ware over de laatste alinea van liet Rapport te stemmen, waarin over de aanbieding daarvan aan den Koning en andere hooge Staatsbearabten gesproken wordt. Na nog eenige debatten over de voorkeur, aan een dezer voorstellen te schenken, sluit de Yoorzitter de beraadslagingen, en brengt hij de motie van den Heer Opzoomer: „In het Rapport kunnen door de Verga- dering geene wijzigingen worden gebracht", in stem- ming. Hij verbindt er het denkbeeld aan, dat, zoo die motie wordt aangenomen, de verzending van het Rap- port aan den Koning en de hooge Staatsbeambten vervalt. De motie wordt met 17 stemmen vóór, 12 stemmen tegen, benevens 1 blanco briefje, aangenomen. De Heer Kuenen stelt thans voor, het Rapport in dien zin te wijzigen, dat de proeven eener statuten- regeling daaraan ontnomen en het derhalve tot de eerste 12 bladzijden worde teruggebracht. De Heer J. A. C. Oudemans meent dat het voorstel van den Heer Kuenen onaannemelijk is, omdat het lijnrecht strijdt tegen de zooeven gevallen beslissing, en wordt in deze opvatting door onderscheidene sprekers gesteund. De Heer Kuenen en de Voorzitter zijn van oordeel, dat niet een enkel lid der Vergadering, doch wel de Commissie, welke tot de samenstelling van het Rapport heeft medegewerkt, aan de Vergadering kan voorstellen om dit laatste in ge wijzigden vorm opnieuw in stem- ming te brengen, en vraagt aan de Heeren de Geer en Place of zij, evenals hij, het voorstel Kuenen wen- schen te steunen. Het antwoord dezer Heeren luidt toestemmend. CXXXIV Na nog eenige woordenwisseling over het bedenkelijke der wending, door de Commissie aan de zaak gegeven, stelt de Heer Opzoomer voor, het advies té volgen van den Heer HuGO de Vries, d. i. de meergenoemde laatste alinea van het Rapport in stemming te brengen en deze nu enkel te doen slaan op de eerste 12 bladzijden daarvan, en dus de statuten-regeling buiten beschouwing te laten. De Voorzitter neemt dit voorstel over. Met - 1 6 tegen 1 1 stemmen wordt die laatste alinea afgestemd. Hiermede is beslist, dat het Rapport noch in den oorspronkelijken, noch in den gewijzigden vorm aan den Koning en de hooge Staatsbeambten zal worden aan- geboden. De Voorzitter stelt uit naam der Hooger-Onderwijs- Commissie voor, haar de vrijheid te verleenen, voortaan zelve haren Voorzitter te benoemen en die keuze niet meer te doen afhangen van de verwisseling van den voorrang der Afdeelingen. •* De Heer Naber vraagt, welke motieven tot het doen van dit voorstel hebben geleid. De Voorzitter antwoordt, dat het 1*^ niet wenschelijk is eene regeling te bestendigen, die de mogelijkheid meebrengt, dat soms tot Voorzitter iemand worde aan- gewezen, die met het streven der Commissie voor Hooger- Onderwijs niet is ingenomen, en 2°. dat het voor den, goeden gang van zaken in die Commissie wenschelijk kan geacht worden, dat de Voorzitter niet telken jare afwissele. Het voorstel wordt daarop met algemeene stemmen aangenomen. cxxxv Een tweede voorstel der Hooger-Onderwijs-Commissie, bij monde van den Voorzitter aan de Vergadering meege- deeld, houdt in, dat de twee vacaturen, welke jaarlijks in de Commissie ontstaan door het aftreden van één lid der Natuur- en een ander der Letterkundige Afdee- ling, bij de niet dadelijke herkiesbaarheid der aftre- denden, niet meer door eene keuze uit alle overige leden, maar slechts uit twee tweetallen, door de Com- missie zelve aan de Vereenigde Vergadering aangeboden, moge geschieden. Ook dit voorstel wordt met algemeene stemmen aan- genomen, en als vervolg daarop thans tot het doen eener keuze aan de Vergadering de volgende tweetallen voorgesteld : voor een lid uit de Afdeeling Natuurkunde : de Hee- ren Dondeks en Buys Ballot; voor een lid uit de Afdeeling Letterkunde : de Heeren TELLEaEN en Gr. DE Vries. Met aanzienlijke meerderheid w^orden daarop de Hee- ren Donders en de Vries tot leden der Hooger-Onder- w^ijs-Commissie gekozen. De Heer Donders neemt het lidmaatschap aan ; aan den Heer G. de Vries zal van de op hem geval- len keuze mededeeling worden gedaan. V. Alsnu wordt voorgelezen het Verslag der Charter- Commissie, aldus luidende: VERSLAG DEE COMMISSIE VAN HET OORKONDENBOEK VAN HOL- LAND EN ZEELAND. De Commissie" voor het Oorkondenboek heeft de eer het volgende aan de Akademie mede te cleelen. CXXXVl Zooais reeds vroeger berigt is, heeft de bewerker voor bet tweede tijdvak, namelijk dat der Graven uit bet buis van Henegouwen, zicb vooreerst bezig gehouden met het opsporen en in eenen inventaris opteekenen van alle HoUandscbe en Zeeuwsche oorkonden, tot dit tijdvak betrekkelijk. Die ar- beid is thans geheel afgeloopen en bevat, voor slechts 45 ja- ren, meer dan de eerste afdeeling van het Oorkondenboek, voor vijf eeuwen. Het voornemen was dan ook om die op- gave alleen te doen dienen ter beoordeeling van wat aanwezig was, en wat in het Oorkondenboek in extenso, wat slechts in uittreksel zou worden opgenomen, met welk doel dan ook reeds de charters van het Rijksarchief tot 1320 grootendeels werden afgeschreven, doch al weder werd dit plan door de omstandigheden verijdeld : gelukkig niet zooais vroeger door den dood, maar door de verplaatsing van den bewerker. De heer Dr. P. L. Muller, toenmaals ambtenaar bij het Rijksarchief, werd namelijk als hoogleeraar in de geschiedenis naar Groningen beroepen. Hierdoor was het voor hem on- doenlijk, zelf de uitgave der oorkonden te bewerkstelhgen, en even ondoenlijk bleek het eenen opvolger voor die taak te vinden. Ouder die omstandigheden, achtte de Commissie het wenschelijk, ten minste den gemaakten inventaris U ter uit- gave aantebieden; want al kan deze het Oorkondenboek niet vervangen, hij leert nieuwe bouwstoffen voor het behan- delde tijdvak kennen en wijst aan, waar_ die te raadple- gen zijn. De uitgave van dit stuk hangt dus geheel van de Aka- demie af. Zoodra deze verklaart tot die uitgave bereid te zijn, kan het drukken beginnen. 's Gravenhage, Namens de Commissie: 28 Maart 1880. L. Ph. VAN DEN BERGH. De Secretaris stelt voor, de beslissing over de aan- gelegenheid, waarvan sprake is in de laatste alinea van het schrijven des Heeren yan den Bergh, over te laten cxxxvn aan het Bestuur der Akademie. De Vergadering hecht hieraan hare goedkeuring. VI. Het Verslag aangaande de Boekerij en het Munt- en Penningkabinet luidt als volgt: VERSLAG AANGAANDE DE BOEKERIJ EN HET MUNT- EN PEN- NINGKABINET. De Bibliotheek der Akademie blyft steeds, zoo door ruiling met andere geleerde lichamen als door geschenken, rijkelijk aanwassen, en de meermalen geuite wensch naar eene groo- tere ruimte tot berging van den boekenschat begint dan ook hoe langs zoo dringender te worden. Tal van boeken moeten, uit gebrek aan plaats, op de zolderverdieping geborgen wor- den, welke regeling^ natuurlek allerhande bezwaren na zich sleept. De hoop der Akademie blijft, onder deze omstandigheden, meer dan ooit gericht op het vooruitzicht, dat, als eenmaal het Museum voor Schilderijen voltooid zal zijn, het geheele Trippenhuis ter harer beschikking gesteld moge worden. In het afgeloopen jaar is het 2e gedeelte van Deel III van den Catalogus in manuscript gereed gekomen. Het be- vat de werken over Geneeskunde, Wiskunde, Sterrekunde, Natuur- en Scheikunde, Planten- en Dierkunde en Schoone Kunsten. Met het drukken daarvan is een begin gemaakt. Tegen het najaar zal dit gedeelte ter verzencÜng gereed en de geheele Catalogus der Bibliotheek daarmede volledig zijn. Thans moeten gecatalogiseerd worden: 1^. de Dissertaties, voor zoo verre die in den Catalogus, bij een toekomstigen herdruk, onder de verschillende vak- ken verdienen opgenomen te worden. Onder die van buitenlandsche Universiteiten zijn er vooral zeer be- langrijke. cxxxvni 2^. de verzameling werken van Bilderdijk, die, als de Catalogus herdrukt wordt, eene plaats bij Letterkunde zullen moeten vinden; 30. al de Geschied- en Letterkundige werken, die sedert het verschijnen van de vorige deelen van den Cata- logus iu de Bibliotheek zijn opgenomen. In het afgeloopen jaar is een begin gemaakt met de sa- menstelling van een alphabetischen Catalogus van de geheele Bibhotheek, op losse blaadjes, met de noodige verwijzingen. Daaraan bestaat groote behoefte. Immers, de Catalogussen hebben geene registers en daardoor is het vinden der boe- ken dikwerf lastig en tijdroovend. Nu het 2e gedeelte van Deel III ter perse is, kan hieraan met kracht worden voort- ge werkt. De thans gecatalogiseerde boeken, die voor het meerendeel jaren achtereen op een zolder werden bewaard, verkeerden voor een groot deel in een zeer slechten staat. Aan het binden en opknappen daarvan moest daarom eene belangrijke som worden besteed. Toen gebleken was, dat de Bibliotheek zeer vele dubbelen rijk was, werd den Minister van Binnenlandsche Zaken om verlof gevraagd, deze tegen een zeker aantal dubbelen der Universiteits-Bibliotheek te ruilen, onder voorwaarde, dat beide verzamelingen in waarde en gehalte tegen elkander zouden opwegen. Dit verlof is verleend en eene eerste ruiling is daarvan het gevolg geweest. Zij zal later door eene tweede kunnen worden gevolgd. Onder de boekwerken, der Akademie ten geschenke aange- boden, verdienen eene bijzondere vermelding: 1^. Joh. Hilman. Ons Tooneel. Aanteekeningen en geschied- kundige overzichten. Amsterdam, 1879. gr. 8°. 2°. Catalogue of Scientific papers (1864 — 1873) compi- led by the Royal Society of London, 1879. Yol. vm. 40. 8*^. Ch. Pickeeing. Chronological history of plants. Boston, 1879. 40. CXXXIX 4^. J. F. LouBAT. The medaillic history of the United States of America, 1776 — 1876. New- York, 1878. Vol. I, n. 40. b^. Compte reudu de la Commission impériale archéolo- giqiie pour l'anneé 1876. St. Petersbourg, 1879. Folio, met atlas in plano. 6°. D. F. Freiherr von Ebeestein. Geschichte der Frei- .herrn von Eberstein und ihrer Besitzungen. Sonders- hausen, 1865. 8*^. Nebst urkundliche Nachtrage und Beigabe. Dresden, 1878. 4». Voor het Penningkabinet werden in 1879 ontvangen: l*^. eene bronzen medaille. Voorzijde: de beeltenissen van de Koningen Christi- AAN I en Christiaan IX van Denemarken, MDCCCLXXIX. Keerzijde: Pallas, staande, reikt de rechterhand aan eene zittende vrouw, die met de linkerhand steunt op het wapenschild van Denemarken. Omschrift: Quattuor exegit sperat nova saecula vivax. Onderschrift : Universitas Havniensis. 2P. eene bronzen medaille, geslagen bij het vijfde eeuwfeest der Prager hoogeschool. Voorzijde: het standbeeld van den stichter of bevestiger, met omschrift: Universitas Carolo-Ferdinandea. Keerzijde : Exactis centum ab origine lustris. MDCCCXLVIII. 3^. eene koperen penning. Voorzijde: Hortus medicus, met een emblema. Keerzijde: 1684. Maeïinüs de Bosch. Daaronder het wapen van Amsterdam, omgeven door twee hoornen van overvloed. De Algemeene Secretaris, C. A. J. A. OUDEMANS. CXL VII. Wordt gelezen het ontwerp van een schrijven der Akademie aan Z.E. den Minister van Binnenlandsche Zaken, naar aanleiding van een bij het Bestuur inge- komen brief van den Hoogleeraar BuYS Ballot, waarin de zedelijke steun der Akademie bij 's Lands Regeering wordt ingeroepen, opdat deze gelden beschikbaar stelle ter deelneming van Nederland aan het internationale plan om een jaar lang synchronische waarnemingen van meteorologische en magnetische verschijnselen te doen in de Noorderpoolstreken. Het ontwerp luidt als volgt: Toen de ïïoogleeraar Buus Ballot op den 29**^" Novem- ber 1879, in de vergadering der Afdeeling Natuurkunde van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, de aandacht zijner medeleden bepaalde bij den uitslag der internationale meteorologische conferentie, van den 1^*'^° tot den 6'^^° Oc- tober deszelfden jaars te Hamburg gehouden, met het doel om over de tijdelijke stichting van meteorologische stations in de arctische en antarctische gewesten te beraadslagen, werd door de aanwezigen niet enkel op prijs gesteld dat ons Vaderland op die bijeenkomst was vertegenwoordigd geweest, maar bovenal met belangstelling vernomen, dat de Directeur van ons Koninklijk Meteorologisch Instituut de belofte had durven uitspreken, dat Nederland zijne beste krachten zoude inspannen om met Noorwegen, Zweden, Rusland, Denemar- ken, Duitschland en Oostenrijk, tot het welslagen der onder- neming het zijne bij te dragen. De Heer Buus Ballot toch kwam op die vergadering met geen bepaald mandaat, veel minder met de zekerheid, dat de geldsom, noodig om van hier eene expeditie naar het Noor- den uit te zenden, hetzij door de Regeering verleend of door b^zoudere personen zoude worden bijeengebracht. Integendeel : CXLI toen zijne meening over de houding van Nederland in de onderwei-pelijke aangelegenheid gevraagd werd, was het en- ^el zijn vertrouwen op de zucht van Regeering en Natie om de eer des Vaderlands ook op het gebied der wetenschap te handhaven, en, gedachtig aan wat onze voorouders hadden tot stand gebracht, zich dat voorgeslacht waardig te betoonen, dat hem niet deed aarzelen te verklaren, dat Nederland ook nu niet achterblijven en zich nogmaals zou aangorden om, liefst op Spitsbergen en Nova Zembla, roem voller gedachte- nis, den voet aan wal te zetten en aldaar den zetel zijner werkzaamheid op te slaan. Vergeten wij daarbij niet, dat de Heer Buus Ballot de eerste geweest was, die (in 1872) de wenschelijkheid had aangetoond, enkele blijvende observatoria in de poolstreken op te richten, en dat het hem dus niet anders dan hoogst aangenaam konde zijn, ook het zeer verwante plan van lui- tenant Weijpeechï, waartoe deze alleszins doeltreffende maat- regelen voorsloeg, met volkomene goedkeuring te ondersteunen. Wat door de te Hamburg vergaderden gewenscht werd, kan kortelijk worden saamgevat in de mededeeling, dat in de poolstreken, op verschillende plaatsen rondom de polen, observatoriën mochten worden opgericht; gedurende een ge- heel jaar, en wel van 1 September 1881 tot uit. Augustus 1882, volgens een uitgewerkt plan, synchronische waarne- mingen zouden worden gedaan, zoowel van meteorologische als van magnetische verschijnselen ; en dat die waarnemingen, na den afloop der expeditie tot één geheel bewerkt, met de daaruit voortgevloeide gevolgtrekkingeu binnen een jaar zou- den worden wereldkundig gemaakt. Het hier omschreven plan werd reeds in 1877 ter uit- voering voorbereid, toen Rusland, de mogendheid wier krach- tige medewerking allerminst gemist konde worden, in een oorlog gewikkeld werd. Onder deze omstandigheden moest het voornemen voor onbepaalden tijd worden uitgesteld, wat echter niet verhinderde, dat onze Koninklijke Akademie van Wetenschappen, bij eene missive van 11 Mei 1877, door den CXLH toenmaligen Minister van Binnenlandsclie Zaken in liet bezit gesteld der bescheiden, welke op de zaak betrekking hadden, een zeer gunstig verslag daarover uitbracht, hetwelk, gedag- teekend van 23 Nov. 1877, blijkens de daaronder geplaatste handteekeningen, niet enkel door de natuur-, maar ook door de letterkundige Afdeeling bekrachtigd was. Met zeer veel juistheid maakten de stellers van dat ver- slag toenmaals de opmerking, dat het uitstel, 't welk de on- derneming door de verwikkelingen in Rusland ondervinden moest, hoe bedroevend ook, voor Nederland echter die licht- zijde aanbood, dat dit land, in nautischen zin onvoorbereid om aan den voorgestelden internationalen arbeid deel te ne- men, thans de gelegenheid had, de elders herleefde beweging op arctisch gebied te volgen en zich den tijd ten nutte te maken om, door het uitzenden van expeditiën naar het Noorden, de zeeheden te vormen, waaraan later het uitbren- gen van een wetenschappelijk station zoude kunnen worden toevertrouwd. Het groot belang, voor een zeevarend en handeldrijvend volk, als oefenschool zijner zeelieden, aan zulke reizen ver- bonden, mocht reeds te lang zijn over het hoofd gezien, er kon de niet aan worden getwijfeld of de vooruitzichten, thans in het verschiet gesteld, zouden de natie wakker schudden en uit haar toestand van kalme onverschilhgheid doen ont- waken. Het is van algemeene bekendheid, dat de wenschen, in dat verslag geuit, werkelijk bij de Natie leven. Immers, z^ zelve heeft onmiddellijk aan de oproeping van het hoofdcommittee voor de tochten naar de Barentszee, cÜe, ofschoon hoofdza- kelijk uit piëteit jegens onze beroemde poolvaarders, tot het vertoonen van de vlag, tot het oefenen van zeeofficieren en matrozen, tot het leeren kennen van de beweging van het ijs in het hooge Noorden ondernomen, in zekeren zin als voorbereidingstochten mogen worden aangemerkt, gehoor ge- geven en twee expeditiën naar Spitsbergen en Nova Zembla uitgezonden. De zeeofficieren, die ze leidden, mochten, van cxLm daar teruggekeerd, de voldoening smaken, dat de verkregen uitkomsten niet enkel in, maar ook buiten ons vaderland met zoo veel lof werden vermeld, dat nu reeds pogingen in het werk worden gesteld om eene derde expeditie in zee te krijgen en vele inwoners dezer landen opnieuw bereid zijn daarvoor offers te brengen. Verkeeren wij dus thans in een veel beteren toestand dan in 1877 om aan de opnieuw ter sprake gebrachte arctische expeditie deel te nemen, zoo rijst de vraag, of de Koninklijke Akademie van Wetenschappen nog steeds bij hare meeniug blijft volharden en de onderneming van dien aard blijft achten, dat zij de medewerking van-Nederland daarbij, ook nu nog, zou durven aanbevelen? Het doel van het tegenwoordig schrijven is geen ander dan uwe Exc. die aanbeveling met den meesten nadruk aan het hart te leggen. De Koninklijke Akademie van Weten- schappen is en blijft zeer gunstig voor het uitzenden eener arctische expeditie gestemd, en, waagt zij het, hare meening openhartig ter Uwer kennis te brengen, het is : dat Nederland minder dan eenige natie bij die onderneming mag worden gemist; dat zijn aandeel in de ontdekkingen in die gewesten ; zijn belang en zijne roeping als zeevarende mogendheid; het feit, dat het eerste' denkbeeld der thans te volgen wijze van waarnemen in Nederland is ontstaan, aan onze Natie niet alleen het recht geeft, maar haar bijna de verplichting op- legt, aan deze internationale arctische onderneming een werk- zaam deel te nemen. Vooral moet de Akademie Uwer Exc^. aandacht vragen voor hare verzekering, dat de onderneming zelve van het hooo^ste belang is voor de kennis van het aard- magnetisme, zoodat het niet missen kan of het voorgenomen onderzoek, volgens het nauwkeurig beraamde en door een genoegzaam aantal natiën vastgestelde plan, moet vruchten dragen, op geene andere wijze te verkrijgen. Het geldt eene expeditie van gelijken rang als die ter waarneming van den overgang van Venus over de zon. Volgens de laatot ingewonnen berichten, heeft de Deensche CXLIV Regeering het geld, noodig voor een volledig meteorologisch en magnetisch station in Upernivik toegestaan ; is in Zweden eene som van 9000 kronen aan de Storthing gevraagd als derde gedeelte van een bedrag van 32000 kronen voor een station in Finmarken; heeft de Keizerlijke Admiraliteit in Duitschland nu reeds een oorlogschip naar Georgië gezonden om den toestand aldaar voorloopig in oogenschouw te nemen ; heeft het vermogend Aardrijkskundig Genootschap in Rusland de zorgen voor de deelneming van dit Rijk op zich genomen, en hebben in Oostenrijk graaf Wilzeck en luitenant Wey- PRECHT zich aangeboden: gene om de onderneming zelf te bekostigen, deze om de leiding daarvan op zich te nemen. Al deze pogingen mogen bij Uwe Exc. den indruk verlevendigen, dat ook elders veel van de expeditie verwacht en de daardoor te verkrijgen uitkomsten van hooge wetenschappelijke waarde gerekend worden. De Koninklijke Akademie van Wetenschappen heeft zelve geene fondsen, welke haar in het onderwerpelijk geval van dienst zouden kunnen zijn; doch waarover zij wel kan be- schikken is : de macht van haar woord. De Directeur van het Koninklijk Nederlandsch Meteorologisch Instituut uitte den wensch, dat de Akademie hem haar zedelijken steun mocht verleenen, opdat het hem mogelijk zou worden, zijne belofte gestand te doen. Het zij dit Lichaam veroorloofd te onder- stellen, dat die steun is de voorafgaande aanbeveling is neer- gelegd. Het ontwerp wordt goedgekeurd en zal dus den Mi- nister worden aangeboden. VIII. Ten slotte heeft de verwisseling der Afdeelingen plaats, die thans overgaat op die der Taal-, Letter-, Geschiedkundige en Wijsgeerige wetenschappen, en sluit de Voorzitter de vergadering. BRIEF DER KONINKLIJKE AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN AAN Z. EXC. DEN MINISTER VAN BINNENL. ZAKEN, OVER HET VERBINDEN VAN DIRECTEURSWONINGEN AAN LABORATORIA, OBSERVATORIA, MUSEA, ENZ. In de onlangs gehouden Vereenigde Zitting der beide Afdeelingen van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, werd door de Commissie voor het Hooger Onderwijs uit haar midden eene memorie ter tafel gebracht, waarin de wensche- lijkheid betoogd werd dat de Akademie, zich grondende op Art. 3 b. van het Organiek Reglement, tot Uwe Exc. een voorstel zou richten, 't welk haar voorkwam in het belang der wetenschap dringend gevorderd te worden, en hetgeen in het kort hierop neerkomt, dat voortaan van Regeeringswege geene Laboratoria, Observatoria, Musea, enz., meer worden opgericht, zonder dat daaraan eene woning voor den Direc- teur dier Inrichtingen verbonden is. Het denkbeeld, door de Commissie breedvoerig toegelicht, werd door de Vergadering overgenomen, en het tegenwoordig schrijven heeft dan ook ten doel. Uwe Exc. niet enkel met dat voorstel te naderen, maar tevens de gronden te ontvouwen waarop het steunt. In het algemeen kan de stelling zeer goed verdedigd worden, dat dirigeeren, d. i. besturen, de onafgebroken zorg vordert van den dirigent, en dat deze enkel verleend kan imi Zijne Exc. den Minister van Binnenlandsdie Zaken te 's Gravenhage. Jaarboek. 1S80. ** XCLVI ■wordeu, als de dirigent niet telkens, en telkens opnieuw, zich behoeft te verplaatsen, hetgeen met hem, die buiten het terrein zijner werkplaats woont, toch het geval zal zijn. Let men echter op de eischen, die men aan den Bestuur- der eener werkplaats voor H. O. stellen mag, dan kan in bijzonderheden worden aangetoond, dat het dezen onmogelijk zal wezen, het Laboratorium, Observatorium, Museum, den Hortus Botanicus, ooit volledig aan zijne bestemming te doen beantwoorden, indien hem niet vergund wordt in die Instel- ling te wonen en ze als het heiligdom te beschouwen, welks bloei en inwendig leven hem ter behartiging werd toever- trouwd. De hierboven genoemde lustellingen moeten én als prac- tische kweekscholen voor de studeerende jongelingschap, én als de plaats beschouwd worden, waar hare voorgangers zich aan den dienst der wetenschap zullen blijven wijden. Er moet worden gewerkt : de leerKngen zullen er zich hebben te oefenen onder toezicht van hun voorganger, en de voorganger zal zich zijn vrijen tijd ten nutte maken om zich voor zyne taak voor te bereiden of eigen onderzoek voort te zetten. Het voorbeeld van den meester zal van onmiskenbaren invloed zijn op de handelingen, den ijver, de neiging zijner jongeren, en te zamen zullen zij den roem kunnen helpen handhaven der Hoogeschool, die hen in staat stelde de wetenschap te dienen, zich zelven te bekwamen en der Maatschappij ten zegen te zijn. Zal dat doel echter bereikt worden, dan behoort den leidsman der studenten en vertegenwoordiger der wetenschap ook alles gegeven te worden wat hem de uitvoering zijner taak gemakkelijk kan maken; wat hem zal kunnen doen woekeren met zijn tijd; wat hem in dagen van ongesteldheid niet zal nopen den arbeid terstond te staken ; wat hem, na zijne beste levensjaren aan de verheffing der Hoogeschool en den vooruitgang der wetenschap te hebben gewijd, niet zal doen opzien tegen de dagen, waarin de naderende ouderdom Zyn invloed zal doen gevoelen of eene min gunstige gezond- cxLvn heid met het kliniinea der jaren de lasten van het ambt dubbel zwaar zal doen wegen. En hoe zal dat anders bereikt kunnen worden dan door den maatregel, waarbij men den Hoogleeraar doe wonen in zyn laboratorium? Dit is het eenige middel om alle waar- nemingen, ook die, welke des avonds of des nachts gecon- troleerd moeten worden, mogelijk te maken ; den geleerde te vrijwaren voor den last, dat zijne aanteekeningen, zijne boe- ken, zijne hulpmiddelen, op twee plaatsen verspreid en dus telkens tijdelijk niet te bereiken zullen zijn ; hem den noo- deloozen en tijdroovenden omhaal van twee studeerkamers te besparen; hem tot het voortzetten zijner lessen bij lichte on- gesteldheden aan te sporen; minder krachtige personen hun dienst dragelijker te maken; bij ouderen van dagen de veer- kracht te steunen. Een ieder, die ooit aan het hoofd eener werkplaats voor H. O. gestaan heeft, zal kunnen getuigen, hoe de arbeid daar verricht; de aanteekeningen daar gemaakt; de toestellen daar in orde gebracht, op den duur zijne ziel blijven vervullen; hoe ontelbare malen hij, in zijne van die plaats verwijderde woning, gewenscht heeft zijn laboratorium even te kun- nen betreden om er voor eene les, voor eene proef, voor een onderzoek, nog iets na te zien of in orde te brengen; welk een tijdverlies het heen- en weêrloopen hem gekost heeft. En dit alles geeft ons dan ook de verklaring aan de hand, waarom het laboratorium van een geleerde noch met een kantoor, noch met een atelier te vergelijken is, wgl men deze verlaat met het doel om verstrooiing in andere bezigheden te zoeken. Wenden wij onze blikken naar Duitschland, dan ont- dekken wij hoe datgene, wat wij hier wenschen te zien in- gevoerd, aldaar aan de orde is. Geene werkplaats voor H. O. wordt daar gebouwd, zonder dat er eene woning voor den Directeur aan is verbonden. En in ons Vaderland is het tot hiertoe regel geweest, dat de Bestierders van 's Rijks planten- tuinen in die tuinen woonden, terwijl, bij het bouwen van J* cxvLin de Sterrewacht te Leideu, de noodzakelijkheid der inwoning van den Hoogleeraar in de Astronomie helder werd ingezien. De Akademie wenscht, dat het beginsel, bij het stichten van Botanische tuinen en Sterrewachten gehuldigd, algemeen e toepassing vinde. De diensten, door de Directeuren dezer Inrichtingen aan de studeerende jongelingschap en de weten- schap te bewyzen, mogen in aard van die van andere Hoog- leeraren verschillen — allen behooren even hoog te worden aangeslagen en dus dezelfde waardeering te ondervinden. De Koninklijke Akademie van Wetenschappen meent dus geheel in den geest harer statuten te handelen, door Uwe Exc. op de hooge wenschelijkheid van den door haar aan- geprezen maatregel te wijzen en van Uwe verlichte zorgen te vragen, dat voortaan aan alle werkplaatsen voor H. O., waarvan het bestuur aan een der Hoogleeraren wordt op- gedragen, eene woning voor dien Hoogleeraar verbonden en, waar de gelegenheid zich daartoe aanbiedt, aan de bestaande nog worde toegevoegd, waartegenover dan de verplichting van dezen zou staan om geen ander dan dit verblgf te betrekken. Namens de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, de Algemeens Secretaris, C. A. J. A. OUDEMANS. Amsterdam, 8 Mei 1880. LEVENSBERICHT RÜDOLPH HERMAN CHRISTIAAN CAREL SCHIEFER KI. ^V, VAN aORKOM. Correspondent der Natuurkundige Afdeeling. Door het Bestuur der Akademie uitgenoodigd, voor liaar Jaarboek een leveusbericlit vau Scheffer te schrijven, heb ik het een weemoedig voorrecht geacht, die taak te mogen aan- vaarden. Ook mij was 't jaren lang gegund, op Java tot zijn ver- trouwden kring te behooren. Over de trouw van dat vrien- denhart uit te wijden, zijn karakter als mensch te huldigen, ik weet, het is niet van deze plaats. Maar, de onvergetelijke vriend, de edele mensch, hij was ook de verdienstelijke bur- ger ; de kloeke, rustelooze beoefenaar der wetenschap — en op dezen hier te mogen wijzen, 't is mij een behoefte, een plicht der dankbaarheid. Hiervan toch ben ik overtuigd: onder de namen van hen, die, in onzen leeftijd, door hunne studiën op zuiver botanisch terrein, of op landhuishoudkundig gebied, een tijdperk van nieuwen bloei en frisch leven hielpen voorbereiden — • zal ook de naam van Scheffer, in het boek der geschiedenis, met eere vermeld blijven. Jaarboek 1880, 1 ( 2 ) Onze ScHEFFER werd geboren te Spaarndam, den 12'^^° Sep- tember 1844. Zijn vader, Joseph Willem Frederik (geb. te Beverwijk, 29 Aug. 1815, overleden te Weesp, 6 Juni 1879) was daar geneesheer. In 't jaar 1844 verplaatste hij zich naar Poortugal, nabi] Rotterdam, alwaar de jonge Rtjdolph zyn eerste onderwijs op de gemeenteschool, zoomede van de gou- vernante zijner eenige zuster ontving. (Buiten deze zuster had Scheffer één broeder, die te Weesp als industrieel gevestigd is. Zijn moeder, Hermina van Drunen, overleed in 1847. Haar heeft hij dus nauwlijks gekend, maar aan de tweede vrouw zijns vaders, C. H. J. van der Looij, gehuwd in 1850 en, kort na haar echtgenoot, in 1879 overleden — was Schef- fer met de innigste liefde en dankbaarheid gehecht.) Scheffer's vader was een man van groote wilskracht, met een ernstigen zin voor de wetenschap bezield, In 1856 vatte hij het plan op zich den titel van doctor in de medicijnen te verwerven, Eene ongunstige beschikking op zijn verzoek om dispensatie van admissie- en propaedeutisch examen, noopte hem tot het nemen van privaatlessen, waarna hij, met den besten uitslag, aan de eischen voldeed en weldra ook het candidaatsexamen in de medicijnen doorstond. Intusschen bleef hij ijverig zijn praktijk waarnemen tot in het jaar 1859, toen hij, ter voortzetting zijner medische studiën en ter voor- bereiding tot zijne promotie, zich naar Utrecht begaf. Deze had reeds den 23^*'^'* Juni 1860 plaats, op eene dissertatie, waarin hij een bizonder ziekte-geval (door hem behandeld) had beschreven. Intusschen had Rudolph zich, in de jaren 1856 — 59, twee- tot driemaal 's weeks van Poortugal naar Rotterdam begeven, ten einde hier van zijnen oom. Dr, J, W. Sluiter, conrector aan het Erasmiaansch gymnasium, het onderwijs in de oude talen te ontvangen. Te Utrecht werd dit onderwijs genoten op het stedelijk gymnasium, en toen doctor Scheffer in 't begin van 1861 naar Weesp verhuisde, waar hij als stads-geneesheer beroepen was, volgde de zoon hem ook hier en voltooide zijne voor- ( 3 ) bereidende studiën onder de leiding van den predikant van Wijk. Het is niet te betwijfelen, dat de vader, door eigen persoon- lijkbeid en voorbeeld, een sterken en blijvenden invloed op de ontwikkeling zijns zoons beeft geoefend. De jonge Rudolph onderscheidde zich al vroeg door zucht naar onderzoek, en in 't bizonder werd zijne liefde voor het plantenrijk opgewekt en gevoed door den vader, wiens vertrouwdheid daarmede een meer dan gewone leeken-kennis mocht heeten. In 1862 aanvaardde Rudolph zijne akademische studiën te Utrecht. Het was zijn illusie, zoowel in de wis- en natuur- kunde als in de medicijnen te promo veeren. Met den eersten graad doorstond hij in 1864 het candidaats-examen in de wis- en natuurkunde, terwijl 't zijn voornemen bleef, zich weldra ook aan het propaedeutisch in de medicijnen te on- derwerpen. De Hoogleeraar Dr. Miquel deed zijn jeugdigen en geliefden leerling toen echter het voorstel, zich voortaan meer bizonder op de beoefening der kruidkunde toe te leggen en zich voor te bereiden tot de betrekking van directeur van 's Lands plantentuin op Java. Na rijp beraad en ernstig overleg met den vader, die als jong geneesheer Indië eens bezocht en van het heerlijk land de beste indrukken behouden had — werden Miquel's voor- stellen gaarne aangenomen. Van eene voortzetting der medi- sche studiën werd nu afgezien en, onder de voortreffelijke leiding van Miquel, een richting gevolgd, die Schefper voor zijne roeping bekwamen moest. In 's Rijks herbarium te Lei- den maakte hij zich, zooveel mogelijk, met de Indische flora vertrouwd en wijdde hij zich aan de bepaling van eenige planten-familiën. Den 20^*^"^ Maart 1867 had zijne bevordering tot doctor in de wis- en natuurkunde plaats, op eene dissertatie »de Myr- sinaceis Archipelagi Indici." De Nederlandsche regeering verschafte den jeugdigen doctor de gelegenheid, in den zomer van hetzelfde jaar achtereenvol- gens den Kew-garden bij London en den jardin-botanique te 1* ( 4) Parijs te bezoeken. Met beide deze beroemde instellingen wer- den betrekkingen aangeknoopt, die een toekomstige samenwer- king zouden kunnen bevorderen en vereenvoudigen. Den IS''"" November 1867 verliet Scheffeb, bet vaderland. Per Fransche mail reizende, hield bij zieb, op weg naar Java, een tiental dagen op Ceylon op, waar de rijke botanical gar- den te Peradenia, onder 't beheer van den ervaren Dr. Thwai- TES, hem een eerste gelegenheid schonk tot kennismaking met de schitterende flora der tropen. Op den eersten dag van het jaar 1868, werd te Batavia voet aan wal gezet. Nu zou Scheefer's werkdadig leven een aanvang nemen; het heerlijk gelegen Buitenzorg zou het on- begrensd terrein zijner werkzaamheid worden. Bij haar besluit van 13 Januari, benoemde de Indische regeering Dr. Scheffer tot directeur van 's Lands plantentuin. Verlangt men zich van deze benoeming rekenschap te ge- ven, haar ware beteekenis te schatten, dan is eene herinne- ring aan den oorsprong en de ontwikkeHng van Buitenzorg's tuin noodzakelijk. Scheffer trof hier, als hortulanus, den Heer J. E. Teijsmann aan, wiens Indische loopbaan te schetsen, gelijk staat aan het ge- ven eener historische beschrijving van Buitenzorg's plantentuin. Laat mij hier al dadelijk mogen aanteekenen, dat Scheffer door Teijsmaxn als een reikhalzend tegemoet gezien vriend ontvangen en gedurende een jaar, met toenemende sympathie, gehuisvest en bejegend werd. Ik wijs daarop met nadruk, omdat die gelukkige vriendschappelijke verhouding duurzaam is geweest en gepleit heeft voor de degelijke persoonlijkheid en den ernstigen zin van de beide mannen, die èn door leef- tijd, èn door vorming, toch zoover van elkander verwijderd schenen. Na de overneming onzer O. I. bezittingen (19 Augustus 1816) van het Engelsch tusschenbestuur, beraamden H. H. commis- sarissen al spoedig maatregelen ter bevordering, ook in de koloniën, van de kruid- en landbouwkundige wetenschappen. ( 5 ) Aan den hoogleeraar Dr. Reinwardt (van 1816 — 1822 als directeur voor de zaken van landbouw, kunsten en weten- schappen, in O. I. werkzaam) werd de zorg opgedragen voor den aanleg van een plantentuin, waarin niet alleen alle plaat- selijk groeiende gewassen bijeengebracht zouden moeten wor- den, maar die ook vooral bestemd zou zijn tot het aankwee- ken van zoodanige Javaansche en uitheemsche planten als zich, door de eene of andere nuttige of merkwaardige eio"en- schap, boven anderen onderscheiden. Terecht stelde men zich voor, dat zulk een tuin de beste gelegenheid zou aanbieden tot een degelijke waarneming van de organisatie en de ontwikkeling der planten. De Indische flora was, voor een aanzienlijk deel, nog een gesloten boek, en de beoefenaars der botanische wetenschap zouden zich stel- lig met ingenomenheid den weg zien openen tot het aan- knoopen van wetenschappelijke betrekkingen met de verwij- derde O. I. gewesten. De Java'sche courant van 23 Januari 1819 verkondigde het eerst, dat de ontworpen instelling was tot stand gekomen. Voor deze was aangewezen en beschikbaar gesteld het zui- delijk deel van het tot het paleis van den opperland voogd, te Buitenzorg, behoorende uitgestrekte park. Het terrein in zijn geheel vormde een zeer onregelmatigen , zich van het noorden naar het zuiden uitstrekkenden recht- hoek, die, links van den grooten postweg, oostwaarts tot aan de rivier Tji-Liwong reikt. Dit terrein, meerendeels vlak, met een zachte glooiing naar het oosten, wordt door kleine beken, die den aanleg van vijvers gemakkelijk maakten, doorsneden. Aan den sierlijken hoofd-ingang ter zuidzijde verrezen de eenvoudige planken- woningen en gebouwen voor het toeziend personeel, de werk- en bergplaatsen, zoomede de kweekerijen. Beter gelegen had men wel nergens een even geschikt ter- rein kunnen vinden. Buitenzorg ligt omstreeks 265 meter boven zee, aan de helling van den circa 2200 meter hoogen berg Salak, en heeft een vrij gematigd, zeer vochtig klimaat (6) en een bij uitnemendheid vruclitbaren bodem. Daarenboven zou men op een niet al te verwijderden afstand, op het Gëdé- gebergte, de gelegenheid behouden tot den aanleg van tuin- afdeehngen, waardoor men in staat zou zijn de kweeking te beproeven van allerlei plantensoorten uit de meest onderschei- den klimaten en deelen der aarde. Dat men dit doel volkomen bereikt heeft, eischt hier geen betoog. Ter juiste waardeering van de mannen, die er toe hebben bijgedragen, is 't evenwel billijk, ook de middelen en de ontwikkelings-geschiedenis te herdenken. Na Reinwaudt's vertrek, werd Dr. Blusie tot directeur der jonge instelHng benoemd. Als eerste hortulanus was daar werkzaam de Heer Zippelitjs — vóór dien tijd aan den bo- tanischen tuin te Bonn verbonden — tot wiens eere Bluiie het geslacht Zippelia heeft vastgesteld. Als botanist, maakte ZiPPELius deel uit van de eerste natuurkundige commissie, die Nieuw-Guinea bezocht. Na Blijivie's vertrek, schijnt de betrekking van » directeur" te zijn opgeheven. Wel is waar heeft, omstreeks 1837, ook de Heer Diard dien titel nog gevoerd, doch in waarheid gold hij toen als een eerbetoon, waardoor het oud-lid der natuur- kundige commissie meer persoonlijk voldaan dan direct ver- bonden was. Na ZiPPELius overlijden, tegen het einde van 1830, stelde de Gouverneur-Generaal J. van den Bosch den Heer J. E. Teijsmann als hortulanus aan. Teijsmann was van den Bosch als tuinman naar Java gevolgd en met dezen, den 2^^" Ja- nuari 1810, aan wal gestapt. Zijn natuurlijke aanleg en groote werkzaamheid waren den meester in 't oog gevallen, en, toen deze hem de gewichtige betrekking toevertrouwde, gaf hij 't bew^s van een juisten blik. Een vijftigjarige ondervinding dwingt tot de volle erkentenis, dat v. d. Bosch, door de verheffing van Teijsmann, den roem van Buitenzorg's tuin heeft voorbereid. Met weergaloozen ijver en een onverstoorbare inspanning greep Teijsmann alle beschikbare middelen tot zijn ontwik- keHng aan. De leden der natuurkundige commissie, met wie ( 7 ) lii], door gemeenschappelijke betrekking tot den tuin, gestadig in aanraking kwam, werden zijne vrienden en leermeesters, zooals zij zei ven, in menig opziclit, zich zijne kweekelingen noemen konden. De eenig overgeblevene van die oude garde, de Heer Kort- hals, te Haarlem, schreef mij: »Bij myne komst op Java in »1831, was de Heer Teijsmann hortulanus. Ik heb met hem, » wanneer ik te Buitenzorg vertoefde, over de inrichting van »den tuin gesproken, de aanwezige planten nagegaan en de » onbestemde zooveel mogelijk bepaald. Daarenboven heb ik » enkele levende planten aan den tuin bezorgd." Niet het minst hebben, in dien ouden tijd, door hunne reizen en bijdragen, de verrijking van den tuin bevorderd: de jonggestorven natuurkundigen Kuhl en van Hasselt, die, gedurende hun leven door gemeenschap van studiën en reizen en door de hartelijkste vriendschap saam verbonden, ook op dezelfde plek, op de tot het park behoorende kleine begraaf- plaats, ter ruste zijn gelegd. Ook BOIB, PlVOT, SCHWANER, ZoLLINGER, JuNGHHUN en ZOO- vele anderen, hebben zich, met betrekking tot den tuin, ver- dienstelijk gemaakt door hunne reizen in den Archipel, maar, van het jaar 1831 tot het jaar 1868, was en bleef Teijsmann de ziel der gansche inrichting. De natuur had dezen merkwaar- digen landgenoot inderdaad de gelukkige geestesgaven geschon- ken, die hem met haar, door eigen vlijt en inspanning, zoo in-gemeenzaam maakten. Voet voor voet veroverde Teijsmann op de plantenwereld de rijke kennis, die hem, in de schatting der beroemdste botanisten, tot een der bekwaamste en ver- dienstelijkste mannen op kruidkundig gebied gevormd heeft. Intusschen, hoe grootsch en loyaal het doel der stichting van den plantentuin te Buitenzorg ook mocht zijn geweest, de wijze waarop het beheer tot 1868 geregeld bleef, kon aan de strengere eischen der zuivere wetenschap niet voldoen, In 1837 werd Dr. J. K. Hasskarl — dezelfde die in 1852 door het Nederlandsch opperbestuur belast werd met eene ( 8 ) zending naar Zuid- Amerika, ter overbrenging naar Java van de kinaplant — als assistent-hortulanus, en meer iu het by- zonder als botanist, aan den tuin te Buitenzorg verbonden. ïïooren wij van dezen nog levenden getuige, hoe de toe- stand bij zijn optreden 'was. »Toen ik (zoo schrijft de Heer H. mij) in 1837 de weten- » schappelijke leiding van dien tuin, als assistent van Teijsmann, » aanvaardde, was de tuin niet veel meer dan een fraai park, » waarin een moezerg en wijngaard afgesloten waren. Men »vond er een menigte planten, waarvan ook de namen waren » opgeteekend. Van deze bleken velen echter onjuist, en van »eene wetenschappelijke rangschikking was allerminst sprake." »Het kostte mij in den aanvang geen geringe moeite, den »Heer Teijsmann te overtuigen, dat men door zulk eene orde » geen botanischen tuin creëert, maar toen Teijsmann de waar- »heid hiervan had ingezien en erkend, was niemand ijveriger »en krachtiger werkzaam dan hij-zelf, om mij in de bevor- » dering van een nieuwe richting te steunen." »Een menigte boomen moesten verwijderd of verplaatst » worden om de familie-groepen bijeen te brengen. Zoo ont- » stonden de heerlijke partijen van palmen, paudaneeën, lau- »rineeën en euphorbiaceeëu, enz., die ik bij mijn tweede komst »op Java, in 1854, met zooveel genoegen weder aanschouwde." Hasskarl bleef van 1837 — 1843 aan den hortus werkzaam en deed, in de tweede helft van dat tijdvak, onderscheiden reizen tot inzameling van nieuwe plantensoorten. Zijn weten- schappelijke zin en roeping kwamen echter gestadig in bot- sing met het administratief beheer, dat bij den intendant der gouvernements-hotels berustte, en in 1843 noopte ziekte hem tot den terugkeer naar Europa. Hier beklaagde hij zich bij den Minister van Koloniën over het ondoelmatig beheer van den plantentuin te Buitenzorg, en wist hy den Heer Baud te overtuigen, dat men, op den inge- slagen weg, de vorming van een wetenschappelyke instelling niet zou bereiken. De tuin behoorde onafhankelijk te zijn van de directie der gouvernements-hotels en zelfstandig te kunnen ( ^ ) bescliikken over ruimer fondsen tot aankoop van boeken en instrumenten. Vertrouwend op den zedelijken steun van het opperbestuur en de toegezegde middelen, keerde Hasskael in 1846 naar Java terug. Hier was iutusschen de oud Gouverneur-Generaal Merkus overleden en vervangen door den Heer Rochussen. Toen Hasskarl zijne grieven en begeerten openbaarde, zoo- wel als zijn in Nederland gevoede hoop en verwachtingen, werden al dadelijk weder, krachtens de wetten der nog heer- schende hiërarchie, de adviezen van den Intendant der gou- vernements-hotels ingewonnen en zijne illusiën deerlijk teleur- gesteld. Nu achtte hy zich niet op zijn plaats, verzocht en verkreeg een eervol ontslag, en zóó bleef Teijsmann wederom alleen staan. Deze was er de man niet naar, zich van zijnen weg te laten afbrengen, of wel, zich door vormen en ongevraagde bemoeienis van anderen, te laten ontstemmen of ontmoedigen. Den tuin beschouwde hij als zijn tuin; wat daar buiten om- ging deerde hem niet. Persoonlijke aspiratiën waren en bleven hem vreemd; gausch één met den tuin, ging deze hem in 't maatschappelijk en ambtelijk leven boven alles en streefde hij slechts onverdroten naar al hetgeen den tuin verrijken kon. Bezield door zulk een geest, moest Teijsmann's positie wel sterk worden. Met zijn nederige en eenvoudige, maar krach- tige persoonlijkheid, wist hij, waar het te pas kwam, den tuin te verdedigen en mocht het hem gelukken, dieus tegen- woordige uitgestrektheid allengskens te veroveren op het park van het paleis, op de aangrenzende kampong en de rivier. Zouder schroom, zonder aanzien des persoons — de hoogst- 'geplaatsten moesten het ondervinden — verrichtte Teijsmann wat hij zijn plicht rekende en was hij zelf de eerste, die, toen de tijd daarvoor gerijpt bleek, de tegenwoordige orga- nisatie in een meer wetenschappelijken zin uitlokte. Deze hervorming is het werk geweest van onzen voortref- felijken Miquel, van wiens sympathie eu samenwerking Teijs- MANN reeds sinds vele jaren verzekerd was. Deze had om zoo ( 10 ) te zeggen de stoifelijke volmaking van den plantentuin be- werkt, gene ontving nu van hem al die gegevens, welke noo- dig waren ter overreding van het opperbestuur, om maatre- gelen te nemen die geen kosten meer zouden ontzien. Vergelekt men den eersten catalogus van Buitenzorg's tuin, in 1823 door Blume saamgesteld, met dien van 1866, door Teijsmann en diens bekwamen en ijverigen assistent S. Binnen- dijk bewerkt, dan verbaast men 'zich over een ontwikkeling, die schier haar wedergade niet hebben kan. Van lieverlede had Teijsmann met alle botanische inrichtin- gen der wereld, doorloopende relatiën aangeknoopt. De ovatie, hem den 2^^^ Januari 1880, toen h^ zijn 50jarig verblijf op Java herdacht, dank zij het edel initiatief van zijnen jon- gen vriend Scheffer, bereid, leverde daarvan het schitterend bewijs. Planten en zaden werden voortdurend met alle kruidkun- dige instellingen gewisseld en Teijsmann zelf bereisde bij her- haling den O. I. Archipel. Niemand kon hem overtreffen in het opsporen en verzamelen van wat de flora verborgen houdt. Eu, ook op kuituur-, dus meer rechtstreeksch oeconomisch- gebied, was hij krachtig werkzaam, en zou zijn opvolger dus niet achterlijk kunnen blijven. Door hem werden ingevoerd: de olie-palm, de zoete cassave, nieuwe koffie-soorten, de W. I. ananas enz. Yan een over- wegende beteekenis waren Teijsmann's bemoeienis met de teelt van katoen, kaneel, kamfer, getah-pertjah, caoutchouc, cacao, zijde, cochenille en thee. Hij was de eerste, die op Java de vanille-plant kunstmatig bevruchtte en daardoor haar kuituur tot een bron van welvaart voor velen maakte. Door hem werd het vooroordeel opgeheven, dat kruidnagelen en muscaat- noten alleen goed tieren in de Mol ukken. En, eindelijk, de eerste ware kinaplant, die Java bereikte, werd slechts door zijne zorgen vruchtbaar. Als een persoonlijk feit erken ik hierby dankbaar dat, toen mij in Maart 1864 gelast werd, het beheer der jeugdige kina-kultuur van Dr. Junghuhn over te nemen, mijn moed om die, door de antecedenten en om- ( 11 ) standiglieden zeer verzwaarde, taak te aanvaarden, voor een groot deel steunde op de overtuiging, dat ik op Teijsmann's krachtigen bijstand zou mogen rekenen. Toen in 1868 de Heeren Teijsmann en Scheffeb eenige da- gen met mij doorbrachten in bet centraalgebergte der Prean- ger, bad laatstgenoemde, toen pas in Indië gekomen, scbier bij elke schrede door de oorspronkelijke bosschen, de ge- legenheid, zich te verwonderen over Teijsmann's innige be- kendheid, ook met de flora der wildernis. Op dien even aan- genamen als leerzamen tocht, verklaarde hij mij meer dan eens: »Met al mijn voorbereiding wanhoop ik er aan, dat ik »ooit zulk een oog op de plantenwereld krijgen zal." Geen boom, heester of kruidachtig gewas kon de aandacht trefi'en, of Teijsmann herkende onmiddellijk de soort en bleek volkomen vertrouwd ook met het oeconomisch nut. Ruim een jaar bleven beide genoemde mannen nog recht- streeks samenwerken. Bij het besluit van 22 Januari 1869, onthief de Indische regeering, op een loyale wijze, Teijsmann van zijn directe betrekking tot den plantentuin, en belastte hem met het doen van reizen in den O. I. Archipel, zoowel in het belang van den tuin als in dat van handel en nijver- heid. De Heer Binnendijk werd tot hortulanus, en, eenigen tijd later, de Heer Wigman tot assistent-hortulanus benoemd. Wat Teijsmann sedert dien tijd voor den plantentuin ge- daan heeft, kan blijken uit de jaarverslagen van Scheïtee, die nooit heeft opgehouden, met volle erkentenis, de groote verdiensten van Teijsmann in het licht te stellen en, met diens krachtige hulp en rijpe ondervinding, in het belang der groot- sche instelling te woekeren. De verslagen van 's Lands plantentuin en de daarbij behoo- rende inrichtingen over de jaren 1868 tot en met 1878, door de regeering gepubliceerd, leveren het bewijs dat Scheffer, op het voetspoor van zijnen voorganger, zoowel buiten als binnen den Archipel, de menigvuldige betrekkingen aanhield en uit- breidde, die de botanische instellingen, zoomede den landbouw en de n:yverheid, ten goede konden komen. ( 12 ) Vau den morgen tot den avond werd hij bezig gehouden door een uitgebreide correspondentie ; had hi] nu dezen, dan genen te woord te staan, en onafgebroken de ontvangst of de expeditiën te controleeren van planten en zaden, of ook van ander materieel, op landbouw en nijverheid in 't algemeen, of de kruidkunde in 't bizonder, betrekking hebbende. Te zwaarder viel die taak, omdat de aanstelling van een behoorlijk hulppersoneel slechts langzaam, en altijd nog on- voldoende vorderde. Het was Scheffer's roeping, den door Teijsmann verzamelden schat te ordenen en te bepalen, en 's Lands plantentuin nu werkelijk te maken tot een wetenschappelijke instelHag, tot nut der koloniën, der botanische inrichtingen in Nederland en der wetenschap in het algemeen. Als botanist, was hij belast met al wat tot het eigenlijk wetenschappelgk gebied be- hoorde. De tuin stond in waarheid te worden : een centraal- punt voor het onderzoek der flora en, voor de regeering en particulieren, een vraagbaak bij quaestiën van invoer, keuze en veredeling van kultuurplauten, van hare meest doelmatige be- handeling en toepassing, en van hare verspreiding en ziekten. Die roeping was een even schoone als nuttige, maar tevens moeielijke, niet alleen omdat, zooals ik reeds aanteekende, het onmisbaar hulppersoneel ontoereikend bleef, maar ook omdat er aanvankelijk zoowel geschikte ruimte als gelegenheid tot de inrichting van een behoorlijk museum ontbrak. Teijsmann had zich 38 jaren lang met de meest primitieve middelen moeten behelpen. Tegenover zijne woning was een planken gebouwtje gelegen, dat als herbarium en museum dienst deed, maar, door zijn inrichting en beperkte ruimte, veeleer den indruk van een rommelkamer geven moest. Eerst in 1871 werd het fraaie gebouw van het mijnwezen ter be- schikking van den botanischen tuin gesteld en konden hier- heen nu de rijke verzamelingen worden overgebracht. Met de schifting van deze kon men slechts langzaam voor- uitkomen, doch niettemin had het nieuw museum alras een goed aanzien gewonnen. Het herbarium, met zorg opge- ( 13 ) plakt en in trommels verdeeld, zou nu ook geregeld aan een systematische bepaling en rangschikking onderworpen kunnen worden, Intnsschen was Scheffer al dadelijk met zijne »Observa- tiones phytographicaé" begonnen, en verschenen van dezen ar- beid drie deeltjes. In 1869 gaf hij eene verhandeling in 't licht over het geslacht »Diplanthera"; in 1871 werd een studie »Sur quelques Palmiers du groupe des Arécinées" en in. 1874 een » Bijdrage uit het buitenland tot de kennis der flora van den I. Archipel", gepubliceerd. Eindelijk verscheen in 1876 het eerste deel der »Annales du jardin botanique de Buitenzorg", welke annalen voortaan geregeld zouden ver- volgd worden. Moeielijkhedeu van allerlei aard, betreffende de kostbare plaatwerken en, over 't geheel, de uitgave, maar niet het minst de gestadig toenemende zorgen en werkzaam- heden van den schrijver, hebben de verdere uitgave vertraagd van het zuiver wetenschappelijk werk, dat oorspronkelijk hoofd- doel was, doch nu in portefeuille is blijven rusten. In 1870 publiceerde Scheffer in het natuurkundig tijd- schrift van Nederlandsch-Indië een schets van een paar reizen in Buitenzorg. Bij herhaling verschenen in genoemd periodiek, zoo mede in het orgaan van de Nederlandsch-Indische maat- schappij van landbouw en nijverheid, korte bijdragen van zijne hand over de meest onderscheiden onderwerpen met betrek- king tot kultures of de landhuishoudkunde. Enkele malen heeft hij zelfs partij getrokken van de dagbladen, ter bestrij- ding van dwaalbegrippen of vooroordeelen op dit terrein. Als raadsman was Scheffer onvermoeid, en elkeen die, op welke wijze ook, belangstelling toonde in den tuin en de daaraan verbonden inrichtingen, kon in het bizonder op z^ne sympathie en medewerking rekenen. In de jaren 1868 — 1871 en 1878 nam hij deel aan de commissiën die, telkenmale op verzoek van haar directeur, de gouvernements-kiuakultuur kwamen opnemen. In 1871 o. a. in vereeuiging met Teijsmatsin en Bernelot Moens, ter opspo- ring van de oorzaken en van den aard der ziekte, die sedert ( 14 ) 1868 de kina-plantsoenen bedreigde; in 1878, om, met Moeïts, de onderscheiden metkoden van oogsten van kina-bast te be- studeeren. Yan 1868/76 was Scheffer's arbeid op zuiver botaniscb gebied derhalve zeer vruchtbaar. Bij de beoordeeling daarvan mag niet uit het oog worden verloren, dat zoowel de orga- nisatie van het personeel, als de tuin met zijne berg-af dee- lingen en het museum, eene radicale hervorming ondergingen, die de gezette studiën gedurig verstoorde. De bergtuin Tjibodas vooral — 1290 meter boven zee tegen de helling van het Gëdé-gebergte gelegen — werd al spoedig krachtig onder handen genomen en stelselmatig in- gericht, zoowel ten dienste der botanische wetenschap, als tot het nemen van proeven met die kultures, waarvoor Buiten- zorg te laag gelegen is. Van den grooten tuin van het lust- huis Tjipannas, beneden Tjibodas, werd door den Gouver- neur-Generaal voor 't zelfde doel een gedeelte (Tjiseroea) afgestaan. Boven Tjibodas zijn voorts nog gelegen de berg- tuinen Tjibeurem (1460 meter boven zee) en Kandang-Badak (2370 meter), die, wegens gebrek aan personeel en middelen, nog niet in gelijke mate als Tjibodas hervormd konden wor- den. De drie genoemde afdeelingen waren reeds in de jaren 1839/42 door Teijsiiann aangelegd en zelfs tot op den top van den Pangrangoe (3020 meter) had deze een stuk grond in kuituur gebracht. Vond ScHEFFER dus ter bearbeiding reeds een overvloedig materieel, waarmede meer dan één menschenleven zich vrucht- baar zou hebben kunnen bezighouden, 't was waarlijk geen tanende ambitie in de systematische botanie, die er hem van lieverlede toe bracht, ook in een andere richting zijn arbeids- veld nog te verruimen. Zoodra het hem was gebleken, dat de landbouw en de kul- tures in den O. I. Archipel nog op zeer extensieve wijze ge- dreven werden; dat men, over het algemeen, weinig zorgen wijde aan de keuze en de veredeling der kultu ur-ge wassen ; dat is, in één woord, geen verband van beteekenis was op ( 15 ) te merken tusschen de praktijk en de wetenschap, moest het zijn hekleren geest en praktischen zin wel machtig prikkelen, op de loonende gevolgen van zulk een verband de aandacht te vestigen. Tei-echt was hij van oordeel dat de botanische tuin met zijn personeel en inrichtingen, ook rechtstreeks meer dienstbaar gemaakt zouden kunnen worden aan de belangen van landbouw en nijverheid. In den Heer Mr. H. D. Levyssohn Nokman, destijds di- recteur van het departement van binnenlandsch bestuur, trof hij een autoriteit, die open oog en oor had voor al wat naar vooruitgang en ontwikkeling streefde. De idee der stichting van een kultuurtuin en 't verbinden daaraan van een land- bou w-school, ontwikkelde zich geleidelijk en de regeering hechtte daaraan weldra haar volle sympathie. In 1876 kwam de kultuurtuin tot stand, te Tjikeumeuh, nabij Buitenzorg. Het kostte geen geringe moeite en zorgen, het beschikbaar gesteld terrein te bewerken, te verdeelen en voor onderscheiden kultuurproeven aan te leggen. Eenvoudige gebouwen voor personeel ; stallingen voor ploegvee ; bergplaat- sen voor materiaal en producten; mestputten en wat niet al meer, moesten in korten tijd verrijzen, en bij alle werkzaam- heden werd Scheffer's persoonlijk toezicht vereischt, ten einde ze strikt overeenkomstig zijn eigen bedoelingen te kunnen doen volbrengen. Intusschen bleven de afgelegen bergtuinen zijne geregelde inspectiën vorderen; moest met de uitbreiding en de rang- schikking van het museum worden voortgegaan en konden de schier onoverzienbare betrekkingen met binnen- en buitenland- sche personen en instellingen, niet worden afgebroken. De administratie heeft hare strenge eischeu en vormen, waaraan ScHEFFER, als de eenig verantwoordelijke persoon, zich niet onttrekken kon. En, onder al die overstelpende bedrijvigheid, werd nu nog de opening der landbouwschool voorbereid. Zij had den l^^^ii November 1876 plechtig plaats, in tegenwoordigheid van Mr. Levyssohn Noemajst, toen als algemeeue secretaris van het ( 16 ) gouvermeut werkzaam, van Mr, W. A. Henny, den elief van het betrokken departement, en vele belangstellende, bi- zondere personen. De landbouwscbool is in twee afdeelingen gesplitst. Afdee- ling A zou bestemd zijn voor aspirant-ambtenaren bij het binnenlandsch-bestuur; afdeeling B voor jeugdige inlanders. De cursus voor deze is op drie jaren, die voor A op zes maan- den berekend. Deze werd eerst in 1878 geopend en wel met 18 leerlingen. B telde er toen reeds 74 en einde 1879 had hier het eerste eind-examen plaats. ScHEFFER zelf moest een voornaam deel van het onderwijs op zich nemen. Uit Nederland was onderwijzend personeel ontboden, maar dit bleef, tot heden zelfs, onvolledig. Onnoodig verder, hier te verklaren, dat de onderwijzers zelven zich nog hadden voor te bereiden, en in het volslagen gebrek aan leermid- delen eerst geleidelijk en langzaam zal kunnen worden voorzien. De tijd is nog verwijderd, dat men de resultaten der land- bouwschool met eenig recht zal kunnen beoordeelen. Scheffeb stelde zich voor, dat de jeugdige ambtenaren voor het binnen- landsch bestuur er veel kunnen leeren wat in 't belang van land en volk te pas te brengen is. Yan de inlandsche kwee- kelingen, die de school na volbracht eind-examen verlaten en zich over den Archipel verspreiden, verwachtte hij veel goeds tot opheffing van vooroordeelen en wanbegrippen, en tot aan- wijzing daarentegen van degelijker beginselen met betrekking tot landbouw en kultures. Wat mij betreft, ik ben altijd van meeniug geweest, dat de illusiën wat hoog gespannen waren en dat in ieder geval, ScHEFFER, zijn eigen physische krachten overschattend, te veel werk en zorgen op zich nam en te weinig rekening had ge- houden met de ongenoegzaamheid zijner hulpmiddelen. Ware de Indische regeering dadelijk op alle voorstellen ingegaan, die ScHEFFER ontwierp, ter voorbereiding van, en ter voor- ziening in, waarlijk ernstige behoeften — zijne zorgen zou- den nog overweldigender zijn geworden, ook al had men da- ( 17 ) delijk in de gelijktijdige aanstelling van een voltallig hulpper- soneel kunnen voorzien. Zoo b. v. was het den voortvarenden man eene ernstige teleurstelling, dat aan de door hem ge- stichte school geen cursus toegevoegd werd tot vorming van inlandsche ambtenaren voor het irrigatiewezen. De landbouwschool te Buitenzorg verkeert nog in haar wordings-periode, en geleidelijk zal men hare inrichting ver- beteren en daarmede kunnen uitbreiden. Daar was onmisken- baar een innige behoefte aan zulk een school, en al heeft het aardsche oog van haar stichter haar luister niet kunnen waar- nemen, het zal de roem van Scheffer blijven, de inrichting in 't leven geroepen en daarmede de grondslagen gelegd te hebben van een nieuw tijdperk in de koloniale geschiedenis — van een toekomst van licht in de oude duisternis op land- huishoudelyk gebied. In den kultuur-tuin toefde Scheffeu veel en gaarne. Geen wonder, dat de man van grondige wetenschap zich illusiën schiep van een geleidelijke verbetering in de practische bedrij- ven, waarop zijne bizondere studiën en navorschingen een krachtiger invloed zouden kunnen oefenen. Het is niet mogelijk in een zoo kort bestek als ons hier ge- gund is, alle proeven op te sommen, die in de jaren 1876/79 ouder Scheffer's leiding in den kultuurtuin genomen zgn, ook om het oeconomisch nut in 't licht te stellen van het ge- bruik van betere landbouw-werktuigen ; het rationeel verza- melen en bewaren van meststoffen ; het veredelen van vrucht- boomen en, in 't algemeen, met betrekking tot de verbetering van de kultures, door goede verzorging en keuze van zaden. Ik moet mij hier bepalen tot het feit, dat de kosten van den kultuurtuin reeds door zijn eigen opbrengst worden ge- dekt; dat aan Scheffee, de verbreiding te danken is van de Albizzia's, als schaduwboomen ; van de beste Eucalyptus-soor- ten tot herbossching van de ontwoude bergen. Talrijk zijn de proeven met de teelt van vezelstoffen, van goede padisoorten, van andere voedingsgewassen, ook voor den veestapel. Maar, boven alles, schitteren de uitkomsten van het volhardend Jaakboëk 1880. ^ ( 18 ) streven naar invoering en verspreiding der beste variëteiten van de Liberia-koffie : een pogen dat tot heden, de rijkste uitkomsten belooft. Onbegrensd was bet arbeidsveld dat, door eigen initiatief, nog steeds werd uitgebreid. Schefi'er kende slechts hinder- nissen om ze te bestrijden en naar overwinning te streven. Naar 't goede was steeds zijn oog gericht en dat te bereiken was zijn eenig doel, waaraan hij in waarheid zijn gezondheid offerde. In de laatste jaren klaagde hij, bij herhaling, over zware hoofdpijn. Geen wonder! Het baatte niet dat betrek- kingen en vrienden hem tot matiging aanspoorden. Hy zelf was overtuigd dat 't zoo niet voortgaan kon, dat z^n krachten zijn ijver niet evenaarden, maar, voortlevende in de illusie dat beperking van bemoeienis hem gegund zou worden, zoodra zgne stichtingen naar behooren zouden zijn gevestigd, ver- flauwde hij niet in 't moedig torschen der lasten, die hij zich, meerendeels vrijwillig, in 't algemeen belang had opgelegd. Voor de waarheid dezer beoordeeling getuigt hetgeen hij mij kort vóór zijn overlijden schreef. »Ik ben met hard werken hier te vroeg begonnen en moest » daarom ook eerder kunnen eindigen, 't Zou mij een goed »deel van mijn inkomen waard zijn, als ik een bekwaam »chef voor landbouwschool en cultuurtuin wist en de regee- »ring dien persoon dan aanstellen wilde. Doch, 't is moeielijk. » Beide zijn zoo geheel mijn kinderen, dat ik ze noode afsta, » vooral nu z(i beide zoo goed gaan. Bij 't op touw zetten »der zaken, heb ik altijd er op gerekend, en dit ook officieel » bericht, dat, als ze eenmaal op gang waren, een ander dat »deel van mijn taak moest overnemen. Dan had ik nog eenige »jaren aan de botanische inrichting uitsluitend kunnen wer- sken'^en ook deze, naar mijne inzichten, in een uitstekenden > toestand achterlaten. »Ge praat over temperen van ambitie, als een vos die de » passie preekt. Kan een paard, waar de dressuur eenmaal in- » zit, het tegengaan om mee te doen als het de trompet hoort »en worden onze ooren niet langzamerhand gevoeliger voor ( 19 ) »elk trompet-geluid? Zou dus een vermindering en inkrim- »ping van bezigheden ten slotte niet blyken alleen een ver- »andering van bezigheden te zijn?" De geschiedenis heeft geen waarde zoo wij haar beteekenis niet doorgronden en ons daarnaar niet gedragen. Scheffer's leven is rijk aan lessen; voor de regeering zoowel als voor privaat-personen. Door bekwaamheid en ijver werd Scheiter tot handelen gedreven en de regeering trok er partij van. Maar de ambitie overschreed de grenzen van een menschelijk vermogen en de natuur wreekte zich, tot schade voor de wetenschap en de maatschappij, tot een ramp voor dierbare betrekkingen. In Februari 1880 werd Scheffer ziek. Koortsen verzwakten hem en tegen het einde dier maand bleek het dat hij door eene acute leverontsteking was aangedaan. Van een verblijf in de hoogere, koele bergstreken hoopte men nog eenig heil. De zieke reisde daarom, met zijne echtgenoot en zijn oudste, achtjarig dochtertje (in Juli 1870 huwde Scheffer met mejuffrouw M. Michielsen, die hem zes kinderen, alle meisjes, schonk, waarvan het jongste, in het laatste jaar voortdurend sukkelde en een paar maanden na den vader overleed) naar Rarahan, nabij Tjibodas, doch bracht het niet verder dan tot het daar in de buurt gelegen gezondheids-etablissement Sindanglaja, omdat hij hier, onder 't, zoo noodig, gestadig geneeskundig toezicht blijven kon. Na nog weinige dagen lijdens, gaf de trouwe en hartelijk geliefde echtgenoot en vader, de onvergetelijke vriend, de on- vermoeide dienaar van het land en de wetenschap, den 9"^^" Maart 1880 den geest, en werd zijn stoffelijk overschot reeds den daaropvolgenden dag aan den schoot der aarde toever- trouwd. De diep verslagen weduwe plaatste op het graf een een- voudig gedenkteeken en plantte daaromheen eenige lievelings- planten en bloemen van den overledene. 2* { 20 ) Had ScHEFFEB te veel en te velerlei arbeid aanvaard, zich zelven daardoor in hooge mate overspannend, in het laatste jaar zijns levens werd hij daarbij nog liard beproefd en ge- slagen door de spoedig elkander opvolgende berichten van den dood zijns vaders en van zijn tweede moeder. Zijn vader nog eenmaal te mogen wederzien, dat was altijd een zijner dierbaarste wenschen gebleven. Ik ben overtuigd dat hij zelden een gewichtig besluit nam, alvorens met dien vader ernstig van gedachten te hebben gewisseld. Toen ik, na mijn terugkeer in Nederland, in 't laatst van 1878 den ouden ScHEPFEE te Weesp bezocht en persoonlijk leerde kennen, werd 't mij duidelijk, hoe vader en zoon, ook na jaren lange schei- ding en op grooten afstand, één van hart en één van zin konden blijven. Dat een man als Rtjdolph Scheffer, door zijn studie zoo- wel als door zijn positie, een zeer werkzaam lid van vele wetenschappelijke en nuttige instellingen moest zijn, behoeft nauwlijks te worden opgemerkt. De keizerlijke Duitsche akademie van natuurkundige weten- schappen nam hem in 1872 onder hare leden op, en vulde daarmede de oude, ledige plaats van Reinwardt aan. In 1873 gaf de Nederlandsche maatschappij ter bevorde- ring van nijverheid, wier museum te Haarlem zoovele bij- dragen van hem ontving, hem een blijk harer erkentelijkheid en waardeering, door de aanbieding van het eere-Hdmaatschap. De koninklijke akademie, afdeeling Natuurkunde, benoemde Scheffer in 1878 tot haren correspondent in de Oost-Indische bezittingen. Ook aan andere eerbewijzen bleef het niet ontbreken, al was Scheffer's zelfstandige en onafhankelijke, degelijke natuur er wars van daarop jacht te maken, wat hem in zijne gunstige positie zoo eenvoudig en gemakkelijk zou zijn ge- weest. Z. M. onze Koning begiftigde hem in 1876 met het rid- derkruis der orde van de Eikenkroon, en een jaar later ont- ( 21 ) ving hij het officierskruis van de koninklijke orde van Cam- bodja, wegens zijn onvermoeide en vruchtbare pogingen om eenige gewassen naar Cochin-China te doen overbrengen en daar te doen acclimateeren. ScHEFFER gevoelde zijn waarde en kracht; zijn ernstig ka- rakter en degelijke kennis maakten 't hem onmogelijk daar- mede te pronken. Aan een zeer wetenschappelijken zin paarde hij een open oog en oor voor de praktijk. Het was zijn lust en leven, werkdadig op te treden en zooveel mogelyk nuttig te zijn. Met zijn vriendschap was h^ niet kwistig of licht- vaardig, doch waar hij die schonk deed hy 't volkomen, met rustig vertrouwen op wederkeerige toewijding. Zyn leerlingen leerden hem even innig eerbiedigen en liefhebben als zijn vrienden hem hoogachtten en waardeerden. Is hg een voorbeeldig trouw zoon geweest, bleef zijn edel mannenhart tot het einde ook een kinderhart, vol aandoen- lijke piëteit — geen wonder dat Scheffer ook als echtgenoot en vader, een schat voor de zgnen was, een toonbeeld voor niet weinigen. E/uim twaalf jaren heeft hij gewerkt en gezwoegd ten dien- ste der maatschappij. Onsterfelijk zal zijn naam zijn in de geschiedenis der wetenschap en der Nederlandsch Oost-Indische bezittingen. Baarn^ Augustus 1880. LEVENSBERICHT Jh. Mr. J. K. J. de JONGE. P. J. V E T H *). Er is geruime tijd verloopen sedert ik het laatst in uwe vergaderingen als spreker optrad, en zelfs van uwe bijeen- komsten was ik in de laatste jaren een pareus cultor et infrequens. Wijt dit niet aan gebrek van belangstelling. Met een enkel woord moet ik er de reden van zeggen, omdat zij met mijn onderwerp meer samenhangt dan gij wellicht ver- moedt. Mijne laatste voordracht in uw midden was eene hulde aan de nagedachtenis van den hoogleeraar Rooeda; thans geldt het een ander hooggeacht lid van dit wetenschappelijk lichaam, een man met wien ik door nauwe vriendschapsban- den verbonden was. Voor de Akademie is hij niet zooveel geweest, heeft hy niet zooveel gedaan, als men van hem had kunnen verwachten. Ook bij hem was dit geen gebrek van belangstelling. Het had bij hem dezelfde reden als bij my. Wg waren beide in den dienst getreden eener weten- schap, die nog voor weinige jaren bij ons zeer achterlijk was, die, met ééne uitzondering, nog geene plaats heeft verkregen onder de takken van hooger onderwas, die ook in de regle- '^) Voorgedragen in de Aideeling Letterkunde, 11 October 1880. ( 23 ) menten van deze Akademie nog geene erkenning van hare zelfstandigheid heeft gevonden; — eene wetenschap die uit haren aard de geheele toewijding harer dienaren vereischt, dan vooral wanneer men zich niet tot het nagaan harer vorde- ringen in het studeervertrek bepaalt, maar ook een werk- zaam aandeel neemt, zooals de Jonge en ik beide er toe geroepen werden, in de pogingen die tot verbreiding van haar veld van onderzoek worden aangewend. Ik meen de Aardrijkskunde. Er bestaan thans ongeveer 60 geographische genootschap- pen, wier gezamenlijk aantal leden wij op omstreeks 50,000 mogen schatten. Wij hebben ze inzonderheid in de laatste jaren alom in Europa en Amerika, enkele zelfs in Afrika en Azië zien stichten. Het Nederlandsch Aardrijkskundig Ge- nootschap, ofschoon pas zeven jaren oud — het werd opge- richt 3 Juni 1873 — is op verre na het jongste niet. Bel- gië, Denemarken, Spanje, Portugal, Roemenië, Algerië, Canada, Peru, Ned. Indië zijn na ons in het strijdperk getreden, en naast de sedert lang bekende en beroemde genootschappen van Parijs, Berlijn en Genève zijn in Frankrijk, Duitschland en Zwitserland, ook in den laatsten tijd, onderscheidene an- dere verrezen in de voornaamste middelpunten van handel en verkeer. Men kan dus nagaan dat wel aan eene algemeen gevoelde behoefte werd voldaan, toen zich in 1873 eenige mannen vereenigden om in Amsterdam een geographisch ge- nootschap te stichten. Groot was de byval en de belang- stelling die van alle zijden ondervonden werd. Na een zeven- jarig bestaan telt het Genootschap, behalve zijne honoraire leden en correspondenten, ruim 900 contribueerende leden ; het heeft vier deelen in quarto mèt verhandelingen, berichten en omstreeks 60 kaarten, en nog 15 bundels bij bladen, even- eens met tal van kaarten, in het licht gegeven; het heeft eene expeditie naar de weinig of nog in het geheel niet be- kende gedeelten van Midden-Sumatra uitgezonden en geleid, en houdt zich bezig met de uitgave van een groot geïllustreerd werk, om de resultaten daarvan wereldkundig te maken ; het heeft ( 24 ) de eerste impulsie gegeven tot de tochten naar de Noorde- lijke Ijszee, die later, onder de leiding van een afzonderlijk comité, zoozeer tot handhaving van Nederlands eer hebben bijgedragen; het heeft 31 algemeene vergaderingen gehouden, waarin door Nederlandsche en vreemde reizigers en beoefe- naars der geographie een aantal hoogst belangrijke onder- werpen behandeld zijn ; het heeft eene geographische biblio- theek gesticht, die, inzonderheid wat de kaarten betreft, reeds nu niet van beteekenis ontbloot is ; het heeft aan reizigers en onderzoekers menigen nuttigen wenk gegeven en de belangen van het onderwijs in de aardrijkskunde bevorderd, overal waar zich de gelegenheid daartoe aanbood. Aan de Jonge, die als bestuurslid, als spreker in de openbare vergaderingen, bovenal als penningmeester van het Poolcomité zulk een gewichtige plaats bij deze werkzaamheden vervuld heeft, zal het even- min als aan my, die als voorzitter de bestuurs- en algemeene vergaderingen van het Genootschap had te leiden en op den ge- heelen gang van zaken het oog te houden, door iemand uwer worden euvel geduid, dat wij in dit geleerde lichaam ons door traagheid in het opkomen en schrale deelneming aan de werk- zaamheden onderscheidden, nu wij elders eene voor de eer en den bloei des Vaderlands zoo belangrijke taak te vervullen had- den. Waren dikwijls in deze vergadering zaken ter sprake ge- komen, als het voorstel tot onderneming eener internationale Poolexpeditie, waarover de Jonge en Veth, in vereeniging met de leden der zuster-afdeeling Büys Ballot en van der Sande Bakhuyzen, in het laatst van 1877 verslag uitbrachten, men zou ons ongetwijfeld steeds op onzen post hebben gevonden. Ook nu nog, steeds met werkzaamheden voor het Aard- rijkskundig Genootschap overladen in eene mate, die wel eens mijn krachten te boven gaat, zou ik vermoedelijk niet als woordvoerder in uw midden verschenen zijn, indien ik mij niet gedrongen gevoelde ook hier aan de nagedachtenis van een man, dien ik zoo hoog vereerde en zoo lief had, een woord van hulde te wijden. Die taak is mij opgedragen door uw verlangen en door den wensch van de weduwe en den (25 ) zoon des overledenen, die in mij den meest geschikten per- soon meenden te zien om over het leven en streven van den dierbaren echtgenoot en vader te spreken. Indien intieme ken- nis van den man en zijn werk, hooge waardeering van zijn karakter en van zijn geschriften daartoe genoeg waren, dan, ik erken het, zou het wellicht moeilijk zijn geweest een ge- schikter persoon voor het volvoeren dier taak te vinden ; maar, helaas ! er wordt meer voor gevorderd ; zij stelt ook eischen waaraan ik niet voldoen kan ; — zij vraagt een kracht van taal, een gloed van stijl, die in staat zgn om U volkomen te doen gevoelen, wat het Vaderland in de Jonge verliest, — en daarin zal ik zeer veel te kort schieten. Misschien zal ik wat veel van uwe aandacht vergen ; mis- schien zult gij oordeelen dat, de bescheiden rol in aanmerking genomen die de Jonge in deze Akademie vervuld heeft, het hier de plaats niet was om zoo uitvoerig over hem te spre- ken. Is dit zoo, houdt het dan ten goede aan de vriendschap, die toch de behoefte gevoelt den vriend in al z^n edelaar- digheid en zijn onwaardeerbare verdiensten te teekenen, en bedenkt dat de Jonge, bij alles wat hij deed en sprak, steeds de banier des Vaderlands hoog heeft opgeheven, — dezelfde banier waarom ook de leden van dit lichaam zich scharen, wanneer zij met inspanning aller krachten den bloei der we- tenschappen trachten te bevorderen. Jan Kaeel Jakob de Jonge werd den IT'leu Juni 1828 te 's Gravenhage geboren. Zijn vader Johannes Cornelis de Jonge voerde vóór hem het predikaat van Jonkheer en was, gelijk de zoon, een edelman niet slechts in naam, maar ook in de daad. Zij stamden uit een oud Zeeuwsch geslacht, welks leden reeds vroeger belangrijke diensten aan Nederland bewezen hadden, en nooit hebben harten warmer voor Nederland geklopt, dan die van den vader, wien zijne uitstekende studiën over de geschiedenis van zijn geboorteland eene plaats bezorgden in het Koninklijk Nederlandsch Instituut, en van den zoon, die zoo roemvol in zyn voetstappen trad, en daaraan een zetel ver- ( 26 ) schuldigd was in deze Akademie, die in rechte Ign van het in 1851 opgeheven Instituut afstamt. Ik behoef wel niet te zeggen, dat de Jonge van zijn kun- digen vader en zijn waardige moeder, vrouwe Henrletta Phi- LiPPiNA Jacoba van Keetschmar, eene zorgvuldige opvoeding ontving. De groote gaven die hem de natuur geschonken had, werden gekweekt en ontwikkeld; leer en voorbeeld brachten de schoone eigenschappen tot wasdom waarvan de kiemen in zijn gemoed sluimerden. Onder de deugden die zijn vader onderscheidden, was het vooral een blakende liefde voor den geboortegrond, die de voorname drijfveer was van alle daden van zijn openbaar leven, van al zijne studiën, van al zijn geschrif- ten. Wie herinnert zich niet zijn leven der Evertsen, zijn onderzoek naar den oorsprong der Nederlandsche vlag, zijn Nederland en Venetië, bovenal zijn doorwrochte Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen ? Wat wonder dat zijn zoon, opgevoed in eerbied voor de groote daden der vaderen, hem nastreefde op die baan, en in zijn volgend leven steeds ge- reed was om den handschoen voor het Vaderland op te ne- men, wanneer het miskend en verguisd werd. Het edel woord van een Franschen schrijver : » insulter sa patrie, c'est in- sulter sa mère" was hun motto. Maar de vaderlandsliefde dezer mannen was van de rechte soort. Zij bestond niet in een dwaze voorliefde voor alles wat Nederlandsch is, in een ijdel wierook zwaaien voor Nederlands grootheid, in een zie- kelijk voorbijzien onzer nationale tekortkomingen. Naast de waardeering van al wat Nederland groots en goeds heeft, streefden zij er naar om door eigen inspanning den nationa- len roem te verhoogen, en in alles waarin ons volk traag en achterlijk is, door opwekking en voorbeeld verbetering aan te brengen. Wij zullen in het volgend leven van den zoon tel- kens de overtuigende bewijzen wedervinden van die welbe- grepen vaderlandsliefde, die als het ware den grondtoon van zgn karakter uitmaakte. Het bewijst voor de zorg aan de opvoeding van de Jonge besteed, ofschoon het minder bevreemdend is in een bewoner ( 27 ) onzer hofstad, die zich steeds door zekere voorkeur voor alles wat Fransch is, heeft onderscheiden, dat hij de Fransche taal sprak en schreef met eene zuiverheid en vaardigheid, die zel- den hij een vreemdeling hare wedergade vinden. Maar er is eene andere gave die hem onderscheidde, en waaraan vrij wat grooter waarde mag worden toegekend. Zijn vader was ook een vriend en vereerder der kunst. Niet slechts als geschiedvorscher was hij een vlijtig beoefenaar der numisma- tiek; hij zag in de werken onzer voortreffelijke stempelsng- ders van vroeger dagen ook de kunst niet voorbij, die zich zoowel in de vinding als in de uitvoering van schoone ge- denkpenningen en muntstukken openbaart. Doch het Ko- ninklijk Penningkabinet, waarover hij in 1816 tot Directeur was aangesteld, gaf hem niet slechts gelegenheid om de numismatiek met een kunstenaars oog te beoefenen, het be- vatte ook eene schoone verzameling van gesneden steenen, thans, helaas! zoo verwaarloosd en vergeten, dat zelfs haar bestaan aan weinigen bekend is, maar voortreffelijk genoeg om voor haren stichter, Koning Willem I, en haren rang- schikker en beschryver, den heer de Jonge, een warme hulde te ontlokken aan de pen van den grijzen Göthe, toen de » Notice sur Ie cabinet des médailles et des pierres gravées de S. M. Ie Roi des Pays-Bas", door laatstgemelden samenge- steld, in 1823 in het licht verscheen*). Die Notice, in 1824 aangevuld door een » premier supplément", werd later gevolgd door een werk dat van den kunstzin van de Jonge's vader een nog schooner getuigenis gaf. Om de cameeën en intaglio 's van het koninklijk kabinet nog beter in hare waarde voor den kunstvriend in het licht te stellen, had de Directeur, onder zijn opzicht, van deze schoone verzameling afgietsels in gips, ten getale van 1355, laten vervaardigen, die hem aan- leiding geven om zyn »Catalogue d'empreintes du Cabinet de pierres gravées de S. M. Ie Roi des Pays-Bas" in het licht te *) Zie Göthe's werken, in de uitgave van Hempel, DL XXVIII, bl. 447. •( 28 ) geven, in welken Catalogus de voorwerpen gerangschikt zgn op eene wijze die van zijne iiitgebreide kennis en warme kunstliefde de schoonste getuigenis geeft. Zoo toonde de Jonge de vader hoezeer de gedachte hem bezielde, uitgedrukt in het schoone woord van Heeren dat hij als motto vóór zijne Notice geplaatst had: »Die Werke der Kunst gehören nicht Einzelnen, sie gehören der gebildeten Menschheit an." Onder de leiding van zulk een vader werd de zoon van zijne jeugd af aan niet slechts eene hartstochtelijk minnaar, maar, geholpen door een uitstekenden aanleg, ook een ge- lukkig beoefenaar der kunst. Meesterlijk wist hij zich uit te drukken met teekenstift, penseel en etsnaald, en schoon van zijne kunstproducten, voor zoo ver mij bekend is, alleen de door hem geteekende plaat der in 1850 door de Leid- scLe studenten gehouden gemaskerde voorstelling van den intocht van Prins Feedeeik Hendeik in 's Hertogenbosch het licht heeft gezien, mag menige verzamelaar trotsch zijn op de teekeningen en schetsen in waterverw en houtskool en de proeven van etskunst van de Jonge's hand, die zijne por- tefeuille versieren. Men behoefde trouwens slechts de Jonge's woning te betreden, of een oog te werpen in zijne met de schoonste geïllustreerde werken over kunst en kunstgeschie- denis prijkende bibliotheek, om overtuigd te zijn dat men te doen had met een man van fijnen smaak en geoefen- den kunstzin, — eigenschappen, die h^ in de laatste jaren zijns levens ook openlijk als Directeur en geheele herschep- per van het Koninklijk Kabinet van Schilderijen in het Mauritshuis op de schitterendste wijze heeft aan den dag gelegd. Als wethouder van de hofstad had de Jonge's vader een belangrijk aandeel gehad in de herschepping der Haagsche latijnsche school tot een gymnasium, waarin naast de studie der oude letteren ook die der moderne literatuur niet ver- smaad werd, en van deze vooral door z^ne bemoeiingen her- vormde inrichting was z^n zoon Jan een der eerste en beste leerlingen. Vandaar tot het hooger onderwijs bevorderd, ( 29 ) werd hij op den liften September 1847 als student bij de Rechtsgeleerde Faculteit te Leiden ingeschreven. Indien destijds reeds de scheiding tussahen rechts- en staatswetenschappen bestaan had, die door de tegenwoordige wet op het Hooger Onderwijs is ingevoerd, zou de Jonge ongetwijfeld den cursus gevolgd hebben die voor het docto- raat in laatstgenoemde is verordend. Er is niets dat ons recht geeft tot de meening, dat hij begeerde in de rechts- praktijk op te treden; alles dringt ons om aan te nemen, dat hij wenschte zijns vaders voorbeeld te volgen, en aan de waarneming van eenig ambt, waarin hij de middelen tot levensonderhoud kon vinden, de studie der vaderlandsche ge- schiedenis te paren. Zijn vader was in 1831 Rijksarchivaris geworden ; ik geloof dat het voor den zoon reeds vroeg het ideaal van zijn volgend leven geworden is, ook in dat op- zicht in de voetstappen zijns vaders te treden. Te Leiden was hij een bij uitnemendheid populair student ; hij dronk er met volle, maar nooit met onmatige teugen, de vreugden van het onbezorgde akademieleven ; ieder die met hem in aanraking kwam, behield de aangenaamste herinnering van zijne minzaamheid, zijne opgewektheid, zijne echte humani- teit ; maar aan niemand gaf hij den indruk van een blokker, of ook maar van een ijverig werker. Er waren echter som- mige lessen die hem aantrokken. De colleges van Vissering behaagden hem, niet alleen omdat daar zaken behandeld werden die hem meer bijzonder belang inboezemden, maar omdat hij gevoelde hoe die hoogleeraar zich, ook bij de be- handeling der dorste onderwerpen, onderscheidde door eene elegantie en fijnheid, die misschien aan de massa zijner leer- lingen ontgingen. Van de commissie voor de maskerade was hij natuurlijk de ziel ; want zoowel het aan de vaderlandsche geschiedenis ontleende onderwerp, dat daarvoor gekozen was, als de gelegenheid om bij het ontwerpen van het plan, de keuze der costumes en het teekenen der herinneringsplaat zijn kunstsmaak en kunsttalent aan den dag te leggen, gaven voor hem aan die maskerade-studie eene hoogere beteekenis. De ( 30 ) kostelijke tijd die in de jaren waarin de wel wat dikwijls terugkeerende maskeraden plaats hebben, aan de lange en omslachtige voorbereiding gegeven wordt, ontlokt wel eens een zucht aan een voor zijn vak y verenden professor; maai voor DE Jonge was die tijd niet verloren, hij bleef daarbij in zijn vak. De vraag is echter in hoeverre dat erkend en gewaardeerd werd. Zeker is het, dat, toen hij bij zijne pro- motie op den 29^^^^ April 1852 met een doorwrocht proef- schrift optrad, getiteld: » Geschiedenis van de diplomatie ge- durende den Oostenrijkschen successieoorlog en het congres van Aken (1740 — 1748)", ieder verbaasd was over de gron- dige historische studiën, waarvan elke bladzijde getuigde, en die men van den levenslustigen student niet had gewacht:^ Het proefschrift was, in veel hooger mate dan men van zulke eerste studievruchten vorderen mag, eene werkelijke aanwinst voor de historische wetenschap ; want het was met lust en liefde bewerkt, en een samenloop van gelukkige om- standigheden had voor den schrijver de beste bronnen geo- pend. De betrekking van Rijksarchivaris door zijn vader bekleed, had de Rijksarchieven voor hem opengesteld, en de Koning had, op verzoek zijns vaders, hem de zeldzame en eervolle onderscheiding bewezen van hem inzage van het Huis- Archief van het geslacht Oranje Nassau, te verleenen. Ook de papieren van den Raadpensionaris van der Heim waren voor hem toegankelijk geweest door de welwillendheid zijner nakomelingen, en waar hij hulp en raad noodig had, had natuurlijk zyn vader hem ter zijde gestaan. Den 2*^6° December van hetzelfde jaar waarin hij den doctorstitel had verworven, werd de Jonge beëedigd als ad- vokaat bij den Hoogen Raad. Den dag te voren had hij, blijkens de dagteekening, de laatste hand gelegd aan een klein, maar merkwaardig geschrift, dat nog vóór het einde des jaars het licht zag, getiteld: » Examen d'une notice et de souvenirs biographiques du Comte van der Duyn et du Baron de Capellen, publiés par Ie baron C. F. Sirtema de Grovestins". Ofschoon het werk van den heer de Grovestins ( 31 ) slechts in een klein aantal exemplaren, ten behoeve der vrien- den van den baron van der Duyn, gedrukt vs^as, had het groote sensatie verwekt door de heftigheid waarmede het karakter en de regeering van Koning Willem I waren aange- vallen, en de schromelijke overdi-ijving waarmede de zwak- heden van het nationaal karakter der Nederlanders waren ten toon gesteld. Het eerlijk en van vaderlandsliefde bla- kend gemoed van de Jonge, die in den kring waarin hij verkeerde, veel over dat boek hoorde spreken, was diep ge- schokt en verontwaardigd over »resprit de dénigrement en- vers la personne de Guillaume I^^"" et la nation HoUandaise", waarin dat gansche boek geschreven was. Zonder de maatr regelen des Konings ter zake van den Belgischen opstand goed te keuren, schreef hij een warm pleidooi voor het ka- rakter en de goede bedoelingen van den vorst en handhaafde h^' de eer zijner verguisde trouwe onderdanen op eene wijze, die goed moest doen aan ieder weldenkend gemoed. Niet lang daarna had eene gebeurtenis plaats, die van beslissenden invloed was op zijn leven en hem voor altijd van de rechtspraktijk vervreemdde. De Minister Thorbecke had zijne bijzondere aandacht gewijd aan den verwaarloosden staat waarin in sommige opzichten het Archiefwezen in ons va- derland verkeerde, en in 1851 den Heer Bakhuyzen van den Brink tot tydelijk ambtenaar bij het Rijksarchief benoemd, met den bepaalden last om een bij de Regeering ingediend » Overzicht van het Archiefwezen in Nederland", alvorens het ter perse gelegd werd, met een nauwkeurige beschrijving van het Rijksarchief en andere ontbrekende bijzonderheden aan te vullen. Daar de Minister tevens eene hervorming van het Rijksarchief beoogde, waardoor het meer het middelpunt werd van het gansche Archiefwezen in ons land, werd, be- halve den Heer Bakhuyzen van den Brink, ook nog de Heer L. P. C. VAN den Bergh aan die instelling verbonden, en onder de leiding van den Hoofdarchivaris werd nu door deze wakkere ambtenaren aan de beschryving, herschepping en verplaatsing van het Archief ijverig de hand geslagen. De ( 32 ) Archivaris, die op öOjarigen leeftijd nog eene krachtige ge- zondheid scheen te genieten, werd den 12clen Juni 1853 plotseling door een beroerte weggerukt. De Heer Bakhuyzen VAN DEN Brink kwam nu aan het hoofd van het Archief, en de daardoor ontstane vacature werd in 1854 door de be- noeming van den zoon des overledenen tot tijdelijk ambte- naar bij het Archief aangevuld. Gelukkiger keuze kon niet gedaan zijn. Van nu af wijdde DE Jonge zich met ijzeren volharding aan den nieuwen werk- kring, waarvan het tijdelijk karakter voor een definitief plaats maakte, toen het oud-koloniaal Archief uit Amsterdam, waar het in een zeer verwaarloosden toestand verkeerd had, naar het thans ruim en prachtig gehuisveste Rijksarchief werd overgebracht, en de Jonge met de speciale zorg van dat hoogstge wichtig deel der verzameling belast werd. Doch nog vóór deze wijziging plaats vond, had hij reeds eene schoone proeve van zijne Archief-studiën geleverd, in het eerste, he- laas! door geen tweede crevolgde, deel van het recueil »het Nederlandsche Rijks-archief, verzameling van onuitgegeven oorkonden en bescheiden voor de geschiedenis des Vaderlands", dat in 1857 het licht zag. De Jonge had zich daarin een zeer verwaarloosd, een uitermate slecht bekend gedeelte onzer geschiedenis aangetrokken, de omwentelingen van 1787 en 1795. Hij lichtte ze toe door de uitgave der Mémoires et correspondences du Baron de Kinckel, onder den titel: »Documents politiques et diplomatiques inédits sur les révo- lutions de 1787 et 1795 dans la république des Provinces Unies". Het laatste gedeelte, tot de omwenteling van 1795 betrekking hebbende, is niet verschenen; maar de beide eerste, door de Jonge met drie gewichtige inleidende hoofd- stukken: over de omwenteling van 1787, het leven van Baron de Kinckel en de Restauratie en den Pensionaris van DE Spiegel voorzien, zouden ons het gemis van het overige diep doen betreuren, indien wij niet door andere, nog veel belangrijker studiën rijkelijk waren schadeloos gesteld. In de eerste plaats besloot de Jonge omstreeks dezen tijd ( 33 ) tot een werk van langen adem, waaraan piëteit jegens zijn voortreffelijken vader een groot aandeel had, maar waardoor hij tevens aan de studie der Nederlandsche Geschiedenis een belangrijken dienst bewees. Zijn vader had bij zijn hoofd- werk : de Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen, naar- mate voortgezet onderzoek hem daartoe de stof bood, eene menigte aanteekeningen gevoegd, die overwaardig waren tot verbetering en aanvulling van het oorspronkelijke werk ter kennisse van het publiek te worden gebracht. Dit deed de Jgnge besluiten tot eene tweede uitgave van het klassieke werk, door hemzelven slechts hier en daar een weinig gere- toucheerd, maar met al de weggelaten aanteekeningen van den overleden schrijver vermeerderd. Het werk werd nu ook in behagelijker vorm in het licht gegeven, dan aan de eerste uitgave in de jaren 1833 — 1848 was te beurt gevallen, en op vele plaatsen verrijkt met de gegraveerde portretten der zeehelden, wier roemrijke daden daarin beschreven waren. De nieuwe uitgave verscheen in 5 deelen te Haarlem bij A. C. Kruseman, 1858 — 62. De Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen staat met die der Nederlandsche Koloniën in het nauwste verband. De Jonge kon aan de eerste zijne aandacht niet wijden, zon- der ook met de laatste telkens in aanraking te komen. Had de roem der vaderen steeds bezielend op hem gewerkt, zyn vader had hem het voorbeeld gegeven van bijzondere belang- stelling in hunne grootsche verrichtingen ter zee en tot in de afgelegenste hoeken van den aardbodem. Maar hoe meer hij zich in de kloeke daden onzer zeehelden verdiepte, hoe duidelijker het hem worden moest, dat de geschiedenis van de opkomst en verbreiding van het Nederlandsch gezag in de landen beoosten de Kaap de Goede Hoop nog te schrijven was. De Oost-Indische Compagnie, het groote handelslichaam dat, bijna zonder controle van den Staat, de heerschappij over de daar gestichte kantoren en veroverde gewesten had ge- voerd, had, om den naijver en de concurrentie van vreemden zoo min mogelijk op te wekken en lastige bemoeiing met Jaaeboek 1880. 3 ( 34 ) hare zaken te verhoeden, een dichten sluier over hare han- delingen gespreid en de openbaarmaking harer archieven zooveel mogelijk tegengegaan. Schier onopgemerkt had zy een rijk van verbazenden omvang in het Oosten gesticht ; slechts gebrekkige en onvolledige mededeelingen waren, haars ondanks, daaromtrent uitgelekt, en in vele gevallen had een opgesmukte legende de plaats der ware geschiedenis ingeno- men. Wel was sedert de verovering van dat r^k door En- geland de sluier opgeheven en ook na het gedeeltelijk herstel van het Nederlandsch gezag, de vroegere geheimzinnigheid niet meer mogelijk en wenschel^k geacht; maar de eerst streng bewaakte, later, sedert de opheffing der Compagnie, schandelijk verwaarloosde archieven van dat lichaam waren nooit wetenschappelijk onderzocht en aan de studie der Ge- schiedenis dienstbaar gemaakt. Nu was alles wat er nog van dat archief was overgebleven — en het bleek veel meer te zijn dan men had durven verwachten, — naar het Rijksar- chief te 'sHage overgebracht. De Jonge brandde van ver- langen om daarmede kennis te maken ; met volle instemming liet hij zich de bewaring, rangschikking en vruchtbaarmaking van dien papieren schat als zijne speciale taak opdragen, en welhaast rijpte bij hem het plan, om die onafzienbare menigte documenten aan eene schifting te onderwerpen en alles wat blijken zou voor de Geschiedenis belangrijk te wezen in ge- regelde orde in het licht te geven. Van dit reusachtig plan was ik — en ik ben er trotsch op — een der eerste ver- trouwden. Ik had DE Jonge nog nooit ontmoet en kende hem weinig meer dan bij naam, toen ik den 2 Osten Augustus 1858 door de ontvangst van een brief werd verrast, waarvan ik hier den inhoud laat volgen. Hooggeleerde Heer! Hoewel ik de eer niet heb persoonlijk bij u bekend te zijn, neem ik niettemin de vrijheid deze letteren tot u te richten, nadat de Heer Krabbe van het Ministerie van Ko- ( 35 ) loniën mij verzekerd heeft, dat U.H.G. mij deze vrijpostig- heid wel ten goede zoudt houden. Sedert ik, aan het Rijks- archief verbonden, met de zorg der oud-koloniale archieven ben belast, is bij mij het denkbeeld levendig eene oorhonden- geschiedenis te zamen te stellen van ons bestuur en van onze bezittingen in Indië. Die arbeid zou moeilijk en veelomvat- tend zijn; aan u behoef ik dat niet te zeggen. Alles hangt echter af van een vooraf wel beraamd plan, en van den stel- selmatigen gang dien men aan het geheel verschaft. Tot de samenstelling van zulk een plan is mij de hulp en de raad- geving van meer deskundigen dan ik ben, hoogst noodig. Om die hulp en die raadgevingen te erlangen, wend ik mij tot u. Vooreerst zij gezegd dat ik geloof eene oorhonden-geschie- denis te moeten leveren, 1^. omdat mijne betrekking mij daartoe het best in staat stelt, en 2P. omdat, zoolang de bronnen nog niet genoeg bekend zijn, eene andere geschie- denis nog niet goed geschreven kan worden. Dat zoodanige bronnen-uitgave niet onbekookt geschieden moet, noch eene opeenstapeling van documenten worden mag, spreekt van zelf. Zij moet eene uitgezochte verzameling zijn van memoriën, ver- hcden, rapporten en beschrijvingen over elk gewest, voorafge- gaan door een historisch overzicht, eene algemeene inlei- ding, — toegelicht door aanteekeningen, — en tot een geheel gebracht door samenvoegingen, daar waar lacunes zich voordoen. Door zorg aan vorm en stijl dier inleidingen te besteden, zou ik hopen de dorheid der oorkonden eenigszins te vergoeden. Eerst had ik gemeend eene zoodanige geschiedenis te le- veren van de Compagnie hier te lande, en dan van het be- stuur in Indië en van alle gewesten onder Compagnies gebied. Maar indachtig aan het »qui trop embrasse, mal étreint", stel ik mij nu het volgende voor, en dat is vooreerst toch al een werk dat een groot deel van mijn leven zal innemen. A. Te leveren een geschiedkundig overzicht van de ver- richtingen, handelingen, aangeknoopte betrekkingen der eer- ste Nederlanders in Indië tot aan de Algemeene Compagnie. 3* ( 36 ) B. In een afzonderlijk gedeelte uiteen te zetten, de wijze waarop het bestuur in Indië is gevormd en hoe de admini- stratieve indeeling is geweest, met andere woorden eene hand- leiding te geven tot wat wij hier en tegenwoordig het staats- en administratief samenstel zouden noemen, zonder in de geschiedenis der algemeene gebeurtenissen te treden, maar mij bepalende tot hetgeen volstrekt noodig is tot het be- grip der onderdeelen. Alsdan zou ik wenschen te leveren: C. De oorkonden-geschiedenis der afzonderlijke gewesten, en wel vooreerst van die, welke nu nog tot Nederlandsch Indië behooren. Daarbij zou ik willen aan den dag brengen volgreeksen van de memoriën door de plaatselijke of gewes- telijke opperhoofden aan hunne opvolgers achtergelaten, aan- gevuld met andere belangrijke documenten, en voorzien van historische inleidingen en aanteekeningen^ op dezelfde wijze waarop ik bijv. in het Nederlandsch Rijksarchief de periode van van DE Spiegel heb behandeld. D. Eindelijk zou dat geheel besloten worden met een al- gemeen overzicht van de geschiedenis van het algemeen be- stuur in Indië, wat het heeft verricht, hoe het in den loop der tijden heeft gewerkt. Eenige kaarten en de noodige registers zouden het geheel voltooien. Ziedaar in 't kort mijn plan. Nu zou Ü.H.G. mij bijzon- der kunnen verplichten door mij daarover uw advies mede te deelen. Welke zijn uwe denkbeelden? Welke uwe aanmer- kingen? Houd mij toch vooral deze laatste niet terug. Ik wil niet aanvangen, dan na het gevoelen van eenigen die over de zaak kunnen oordeelen, te hebben vernomen. De zaak is niet gemakkelijk; doch het komt mij voor dat de opklimming van de onderdeelen tot het geheel, van de ge- westen tot het algemeen gouvernement, de meest logische behandeling zou zijn. Ook zou ik wel eens van u wenschen te vernemen, tot hoever u het raadzaam oordeelt de geschie- denis uit te strekken, tot 1798, tot 1811 of tot 181G. Ik ( 37 ) herhaal mijne verontschuldiging voor mijne vrijmoedigheid, maar tevens vraag ik met aandrang uwe ondersteuning door raadgeving en zoo mogelijk door mededeeling van stukken, enz. Ik behoef wel niet te zeggen dat een brief als deze niet kon geschreven zijn dan door iemand die zijne zaak rijpelijk overwogen had en voor zich zelven althans tot eene voor- loopige beslissing was gekomen. Ik had wel bezwaar om als raadgever op te treden, daar mijne studiën over de land- en volkenkunde van Ned. Indië zich toch eigenlijk tot een ander gebied dan dat van de Jonge hadden bepaald. Voor zoover ik ook de geschiedenis bij mijn onderzoek had opgenomen, was het steeds de geschiedenis der Indische volken zelve ge- weest, niet die hunner vreemde overheerschers, die mijne aan- dacht gevergd had, en ik had daarom documenten van ge- heel anderen aard geraadpleegd, dan het Rijksarchief voor het onderzoek van de Jonge openstelde. Ik wist dus niet of ik wel de rechte man was om raad te geven ; maar ik wilde het vertrouwen door een jongen, veelbelovenden geleerde in mij gesteld niet beschamen. Er waren dan toch punten, het geheele plan betreffende, waaromtrent ik wellicht nuttige wenken geven kon, en daarby was het eene gelukkige om- standigheid, dat ik mij met de door de Jonge vooropgestelde denkbeelden zeer goed kon vereenigen. Die beperking van het onderzoek tot een bepaald tijdvak en tot een bepaald gebied, dat plan om eerst het bijzondere goed te bestudeeren en dan vandaar tot het algemeene op te klimmen, het was geheel in overeenstemming met de methode, die ik zelf op het gebied der land- en volkenkunde steeds had toegepast. Ik heb van mijn antwoord geen afschrift gehouden, maar wat er de strekking van was en hoe het door de Jonge werd opgenomen, zal blijken uit een tweeden brief, den Uden Sept. door hem geschreven, waarvan ik mij ook nog de mededee- ling veroorloof, omdat alles wat tot de geschiedenis der wording van zulk een uitgebreid en gewichtig historisch werk behoort, mi) toeschijnt op eenige belangstelling aanspraak te maken, ( 38 ) Hooggeleerde Heer! Reeds lang had ik uwen vriendelijken brief van den Isten Sept. 11. willen beantwoorden en u daarvoor dank zeggen, maar gedurende al dien verloopen tijd ben ik ontrust ge- weest door een hevige ziekte mijner moeder, die mij geen gelegenheid liet tot rustig schrijven. De storm is nu geluk- kig voorbij en nu haast ik mij ook om u te bedanken voor uwe welwillende regelen. Het was mij hoogst aangenaam te zien, dat uwe gevoelens zoo overeenkomen met de mijne: 1^. om de uitgave van stukken te bepalen tot den Archipel; 2*^. om Malakka er in op te nemen, omdat, naar mijn oor- deel, Riouw, Lingga eu Sumatra's Oostkust niet te behan- delen zijn zonder Malakka ; S*^. om vooreerst niet verder te gaan dan tot de komst van Daendels, hoogstens tot aan Janssen. Wij hebben dan de schets van Mr. P. Mijee, en het werkje van Levyssohn Norman. Ik ben nu bezig aan de eerste tochten en eerste hande- lingen der Nederlanders in Indië. Ik denk die voort te zetten tot aan de komst van P. Both als eerste Gouverneur-Gene- raal. Na 1610 geef ik dan, als van zelf daartoe gebracht, de handleiding tot de kennis der inrichting van het algemeen bestuur van Indië sedert den eersten Landvoogd en ga daarna rustig voort met de oorkonden-geschiedenis der gewesten. Weet u mij nu ook nog iets mede te deelen over de eerste zee- tochten ? Ik schrijf heden ook nog aan den Heer Fred. Mul- ler. Zoo u hem ziet, beveel mijn werk aan zijne welwillende hulp aan. Mag ik ook, als het noodig is, uwe hulp inroepen omtrent de juiste benaming van personen en plaatsen? want de dienaren der Compagnie weten die van tot tijd zoo te verbasteren dat ik er niet meer uitkom. Het gemis van ken- nis der Oostersche talen is mij wel lastig ; indien u mij dus, waar 't noodig is, in dezen wilt helpen, zult u mij bijzonder verplichten ; want dat vak is mij geheel vreemd. Doch een totaal gemis van keunis in dezen is beter dan een halve of driekwart kennis en ik heb nu reeds hooi genoeg op den ( 39 ) vork. Als ik op het Rijksarchief de vijf groote kamers met do- cumenten zie, rijzen mi] de haren wel eens te berge; maar de moed ontzinkt mi] toch niet. Ik piocheer maar zachtkens voort. Ik zal wel geen volmaakt werk kunnen leveren, maar ik zal toch trachten een g(3heel te geven, zoodat dat ver- spreid uitgeven van stukken, die men op het einde niet meer weet terug te vinden, eindelijk zal ophouden. Als ik het ge- luk heb den eersten grond te leggen, kan een bekwamer dan ik er een beter gebouw uit optrekken. Nogmaals beveel ik mijn werk aan uwe belangstelling aan. Inderdaad was de Jonge vol moed aan het werk getogen, en zeker zou de verschijning eener eerste proeve van zijn arbeid veel spoediger gevolgd zijn, indien hij niet een tijd lang gestoord en ontmoedigd was door de ziekte en den dood zijner eerste teerbeminde gade, vrouwe Maria Johanna de la Bassecoub. Caan, die hem den 13> AMSTERDAM, JOHANNES MULLER. INHOUD. Bladr, Staat van de koninkIiIJKe akademie van ■wetenschappen OP den 30sten april des jaars 1S81 III. Alphabetische lijst der gewone leden, correspondenten IN de overzeesche bezittingen van het rijk en buiten- landsche leden van de koninklijke akademie van we- tenschappen, sedert hare oprichting in 1851. ... x. Lijst der binnen- en btjitenlandsche akademiën, geleerde genootschappen en instellingen, waarmede de konink- lijke akademie van wetenschappen door ruiling der ■ uitgegeven werken in verbinding is xxii. Reglement voor de koninklijke akademie van weten- schappen . XXXV. Reglement van Orde voor de Afdeeling Wis- en Natuur- kundige Wetenschappen XLI. Reglement vpu Orde voor de Afdeeling Taal-, Letter-, Ge- schiedkundire en Wijsgeerige Wetenschappen XLIX. Bericht omtrent wijzigingen in de algemeéne bepalingen van de reglementen van orde LX. Vrijdom van Briefport LXIII. Programma ccrtaminis poetici ab academia regia disciplinarum Neerlandica ex legato Hoeufftiano in annum MDCCCLXXXI indicti LXIV. Proces-verbaal van de vereenigde vergadering der beide AFDEELINGEN der koninklijke AKADEMIE VAN WETEN- SCHAPPEN LX VII. Bladz. Inleiding LXIX. Proces- Verbaal van de Vereenigde Vergadering der beide Af- deelingen der Koninklijke Akademie van "Wetenschappen, gehouden den 30sten April 1881 LXXI. Verslag van den staat en de werkzaamheden der Akademie aan Z. M. den Koning LXXH. Rekening en Verantwoording van het door den Algemeenen Secretaris over het jaar 1880 — 1881 gehouden beheer . . XCI. Rekening en Verantwoording van het door den Algemeenen Secretaris over het jaar 1880 — 1881 gehouden beheer van het legaat Hoeufft XCVI. Rekening en Verantwoording van het door den Algemeenen Secretaris over het jaar 1880 — 1881 gehouden beheer van het Fonds voor de Leeuwenhoek-Medaille XCVII. Memorie van Toelichting bij de Rekening en Verantwoording. XCVII. Verslag over het gehouden beheer XCVIII. Begrooting van Inkomsten en Uitgaven, gaande van 1 " April 1881 tot uit». Maart 1882 XCIX. Verslag van de Hooger-Onderwijs-Commissie aan de Veree- nigde Zitting C. Verslag van den Heer L. Ph. C. van den Beugh, namens de Charter-Commissie CIII. Verslag aangaande de Boekerij en het Munt- en Penning- kabinet CIV. Werken, eene bijzondere vermelding waardig, voor de Boe- kerij ingekomen van April 1881 tot April 1882 .... CVI. Overgang van den voorrang der Akademie op de Afdeeling Wis- en Natuurkundige Wetenschappen CVI. ■ Levensschets vaa Dr. Eelco Verwijs, door W. J. A. Jonck.- BLOET 1. Levensschets van Isaac Paul Delprat, door D. Biebens DE Haan 14. ]N' A A M L IJ S T DER GE W OME LEDEN, CORRESPONDENTEN IN DE OVERZEESCHE BEZITTINGEN VAN HET KIJK EN BUITENLANDSCHE LEDEN VAN DE KONINKLIJKE AKAÜEMIE VAN WETENSCHAPPEN. Jaabboek 1881. STAAT VAN DE KONINKLIJKE AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN OP DEN 30sten APRIL DES JAARS 1881. BESTUUR DER AKADEMIE gedurende het Akademiejaar vau 30 April 1881 tot 29 April 1882. ALGEMEENE VOORZITTER, F. C. DONDERS. ALGEMEENE SECRETARIS, C. A. J. A. OUDEMANS. Afdeeling Wis- en Natuurkundige Wetenschappen. VOORZITTER, F. C. DONDERS. ONDER-VOORZITTER, T. PLACE. SECRETARIS, C: A. J. A. OUDEMANS. Afdeeling voor de Taal-, Letter-, Qescliiedhmdige en Wijsgeerige Wetenschappen. VOORZITTER, C. W. OPZOOMER. ONDER- VOORZITTER, S. A. NABER. SECRETARIS, J. C. G. BOOT. A* ly Afdeeiing voor de Wis- en Natuurkundige Wetenschappen. Gewone Leden. F. c. DONDEES, te Utrecht p. HATiTiNG, te Utrecht. c. H. D. Buijs BALLOT, te Utrccht. JA c. ouDEMANs, te Ut/)'echt T>. BiEEENS DE HAAN, te Leiden. A. w, M. VAN HASSELT, te 's Gravenhage. M c. VERLOREN, op Schothorst bij Amersfoort. j. VAN GOGH, tijdel^k ie Batavia. c. A. J. A OUDEMANS, te Amsterdam. E. H. VON BAUMHAUER, te Haarlem. P. M. BRUTEL DE LA EIVIERE, te Leiden. j. BOSSCHA, te Delft. N. w. p. RAUWENHOFE, te Utrecht. p. L. RIJKE, te Leiden. A. HEYNSirs, te Ljciden. G. VAN DIESEN, te 's Gravenhage. w. KOSTER, te Utrecht. G. F. W. BAEHR, te Delft. w. F. R. SUEINGAR, te Leiden. A. C. OUDEMANS JR , te Delft. c. H. c. GRiNWis, te Utrecht. c. M. VAN DER SANDE LACOSTE, te Amsterdam. TH. w. ENGELMANN, te Utrecht. j. R. T. ORTT, te Haarlem. j. ZEEMAN, te Amsterdam. H. G. VAN DE SANDE BAKHUIJZEN, te L.eiden. J. M. VAN BEMMELEN, te Leiden, B. J. TIDEMAN, te Amsterdam. c. K. HOFFMANN, te Leiden. V T. ZAAIJER, te Leiden. R, A. MEES, te Groningen. T. PLACE, te Amsterdam.. TH. H. MAC GiLLAVRY, te Leiden. j. w. GUNNING, te Amsterdam. F. J. VAN DEN BERG, te Delft. j. D. VAN DER WAALS, te Amsterdam. ED. MULDER, te Utrecht. H. c. DIBBITS, te Utrecht. TH. H. BEHRENS, te Delft. H. DE VRIES, te Amsterdam. A. p. N. FRANCHIMONT, te Leiden. N. -T. MiCHAËLis, te '5 Gravenhage, M, TREUB, tijdelijk te Buitenzorg op Java. B. j. STOKVIS, te Amsterdam. CR M. scHOLS, te Delft. D. J. KORTEWEG, te Breda. H. A. LORENTZ, te Leidden. A. D. VAN RIEMSDIJK, te Utrecht, Rustende Ledeu. H. scHLEGEL, te Leiden. F. j. STAMKART, te Amsterdam.. j. w. L. VAN ooRDT, te 's Gravenhage. c. J. MATTHES, te Amsterdam. VI Correspondenten in de Overzeesche bezittingen van het Ryk. j. E. TEYSMANN, ie _ Buitenzorg op Java. ft A. BERGSMA, te Batavia. u. D. M. VERBEEK, te Padang. i. c. BERNELOT MOENS, te Batavia. Buitenlandsche Leden. H. K. w. BERGHAUS, te Potsdam. 3'. B. DUMAS, te Parijs. R. OWEN, te Londen. p. j, VAN BENEDEN, te Leuveu. G. B. AiRY, te Greemoich. H. HELMHOLTZ, te Berlijn. A. w, HOFMANN, te Berlijn. E,. viRCHOW, te Berlijn. H. R. GÖPPERT, te Breslau. U. MILNB EDWARDS, te Parijs: w. WEBER, te Göttingen. CHS. ÜAEWIN, te Boion, BeckerJumi, Kent. j. PLATEAU, te Gent. wiLLiAM THOMSON, te Glasgoio. OTTO STRUVE, te St. Petersburg. F. wÖHLER, te Göttingen. ï. L. w. voN BiscHOFP, te Münclien. A. DE CANDOLLE, te Geucve. M. BERTHELOT, te Parijs. L. CREMONA, te Rome. VII Afdeeling voor de Taal-, Letter-, Gecchiedkundige en Wijsgeerige Wetenschappeyi. Gewone Ledeu. R. p. A. DOZY, te Leiden. M. DE VRIES, te Leiden. w. G. BUILL, te Utrecht. ■ w. j. A. JONCKBLOET, te 's Graveuhage. 3. DE WAL, te Deventer. j. DiRKs, te Leemoarden. c. w. -oPzooMER, te Utrecht. j. H. scHOLïEN, te Leiden. w, j. KNOOP, te 's Gravenhage. G. DE VRIES AZ., te 's Gravenhage. j. c. G. BOOT, te Amsterdam. M. H. GODEFROi, te 's Gravenhagü. w. c. MEES, te Amsterdam. N. BEETS, te Utrecht. R. j.- PRüiN, te Leiden. B. j. LiNTELO DE GEER, te Utrecht. A. KUENEN, te Leiden. j. KAPPEYNE VAN DE COPPELLO, te 's Gravenhage. D. HARTiNG, te Enkhuizen. s. VISSERING, te 's Gravenhage. j. E. GOUDSMIT, te Leiden. j. p. six, t^ Amsterdam p. j. VETH, te Leiden. s. A. NABER, te Amsterdam. TH. BORRET, te Vogelenzang. c. M. FRANCKEN, te Utrecht. s. HOEKSTRA BZ., te Amsterdam. H. KERN, te Leiden. VIII j. T. BUYs, te Leiden. j. A. FRUiN, te Utrecht. E. T. H. p. L. A. VAN BONEVAL FAURE, te Leiden. B. D. H. TELLEGEN, te Groningen. B. H. c K. VAN DER wiJCK, te Groningen. M. J. DE GOEJE, te Leiden. H. VAN HERWERDEN, te Utrecht. c. vosMAER, te '.s Gravenhage. j. p. N. LAND, te Leiden. J. G. DE HOOP SCHEFFER, te Amsterdam. TH. JORissEN, te Amsterdam. \t. F. A. G. CAMPBELL, te 's Grcivenhage. V. DE JONG, te Utrecht. j. G. R. ACQüOY, te Leiden p. j. cosiJN, te Leiden. H. p. G. QUACK, te Amsterdam. A. A DE PiNTO, te '.s Gravenhage. T. M. c. ASSER, te Amsterdam. 3. HABETS, te Oud-Vroenhoven. A. K. J. MODDERMAN, te 's Grcivenhage. Rustende Leden. G. MEES AZ , te Rotterdam. j. H. HOLWERDA, te Voorschotcn. . L. A. J. w. SLOET, te Arnhem. L, PH. c. VAN DEN BBRGH, te 's Gravenhage. C. LEEMA>'S te Leiden. IX Correspondenten in Je Overzeesche bezittingen van het Rijk. j A. VAN DER CHiJS, te Batcivici H. NEUBRONNER VAN DER TUUK, Op Bcili. K. F. HOLLE, te Garoet [Preanger Regentsch.). H. D. EEVYSSOHN NORMAN, te Batavia. L. w. c. VAN DEN BERG, te Batavia. Buitenlandsche Leden. H. L. FLEiscHER, te Leipzig. L. p GACHARD, te BrusseL c. R. LEPsius, te Berlijn. j. N. MADVTG, te Kopenhagen. LEOPOLD RANKE, te Berlijn. A. R. rangabé, te Athene. TH. MOMMSEN, te Berlijn. H. c. RAWLiNSON, te Lonchn. F. c. CHABAS, te Chdlons sur Saone. V. DURUY, te Parijs. A. RÉviLLE, te Parijs. R. VON JHERING, te Göttingeii. MAX MULLER, te Oxf'ord. J. T J. HEREMANS, te Gent j. c BLUNTSCHLI, te Heidelherg. G B. Rossi, te Rome. T, NÖLDEKE, te Straatsburg. D. GARUTTi, te Rome. w. STüDEMüND, te Straatsburg. B. wiNDSCHEiD, te Leipzig . ALPHABRTiSCHE IJJSÏ DER GEWONE LEDEN, CORRESPONDENTEN IN DE OVERZEESCHE BEZITTINGEN VAN HET RIJK EN BUITENLANDSCHE LEDEN VAN DE KONINKLIJKE AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN, SEDERT HARE OPRICHTING IN 1851. NB. De letter L. beteekent gewoon Lid. „ c. u Correspondent. „ B. L. II BuitenLindsct Lid. „ R. L. II Rustend Lid. „ a. N. „ Afdeeling Natuurkunde „ a. L. " Afdeeling Letterkunde. A-ckersdijk, (.1.) te Utrecht, L. a. { a. N. 26 Oct. 18.51. Overl. 2 L. 23 Febr. 1855. R. L. 1861. Overl. 13 Juli 1861. Acquoy, (J. G. R.) te Leiden, L. a. L. i9 April 1877. Airy, (G, B.) te Greenwich, B. L. a. N. 4 Mei 1859. Arago, (D. F. J.) te Farijs, B. L. Oct. 1853. Assen, (C. J. van) te Leiden, L. a. L. 23 Febr. 1855. E. L. 1858. Overl. 13 Sept. 1859. Asser, (T. M. C.) L. a. L. 21 Mei 1880. B. Baehr, (G. F. W.) te lielft, L. a. N. 5 Mei 1867. . Baer, (K. E. von) te Dorpat, B. L. a. N. 4 Mei 1875. OverL 28 Nov. 1876. XI Bake, (J.) te Leiden, L. a. L. 23 Febr. 1855. E. L. 1858. Overl. 26 Maart 1864. Bakhuijzen, (H. G. van de Sande) te Leiden, L. a. N. 11 Mei 1872. Baumhauer, (E. H. von) te Haar- lem, L. a. N. 1 Mei 1858. Becquerel, (A. C.) te Parijs, B. L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 19 Jan. 1878. Beek, (A. van) te Utrecht, K. L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 7 Jan. 1856. Beets, (N.) te Utreclit, L. a. L. 4 Mei 1859. Behrens, (Th. H.) te Belft, L. a. N. 8 Mei 1878. Bemmelen, (J. M. van) te Leiden, L. a. N. 10 Mei 1873. Beneden, (P. J. van) te Leuven, B. L. a. N. 4 Mei 1859. Berg, (F. J. van den) te Belft, L. a. N. 4 Mei 1875. Berg, (L. W. C. van den) te Ba- tavia, C. a. L. 19 Mei 1876. Bergli, (L. Ph. C. van den) te 's Gra- venhage, L. a. L. 24 Maart 1855. K. L. April 1876. Berghaus, (H. K. W.) te Potsdam, B. L. a. N. 26 Oct. 1851. Bergsma, (P. A.) te Batavia, C. a. N. 11 Mei 1872. Bernelot Moens, (J. C.) ie Batavia, C. a. N. 8 Mei 1878. Bertlielot, (M.) te Parijs, B. L. a. N. 10 Mei 1881. BischofF, (T. L. W. von) te Mün- cJien, B. L. a. N. 8 Mei 1878. Bleeker, (P.) te 'sGravenhage, C. a. N. 6 April 1855. L. a. N. 5 Mei 1862. Overl. 24 Jan. 1878. Blume, (C. L.) te Leiden, L. a. N. 6 April 1855. Overl. 3 Febr. 1862. Bluntschli, (J. C.) te Heidelherg, B. L. a. L. 29 April 1875. Boogaard, (J. A.) te Leiden, L. a. N. 8 M«i 1865. Overl. 2 Juni 1877. Boot, (J. C. Gr.) te Amsterdam, L. a. L. 2 Mei 1857. Borret, (Th.) te Vogelenzang, L. a. L. 8 Mei 1865. Bosch, (R. B. van den) te Goes, L. a. N. 2 Mei 1857. Overl. 18 Jan. 1862. Bosquet, (J. H. A.) te Maastricht, L. a. N. 5 Mei 1856. Overl. 28 Juni 1880. Bosscha, (J.) te 's Gravenhage, L. a. L. 23 Febr. 1855. R. L. 1867. Overl. 9 Dec. 1874. Bosscha, (J.) te Belft, L. a. N. 1 Mei 1863. Brants, (A.) Jo2)pe bij Gorsel, L. a. N. 26 Oct. 185i. Overl. 27 Nov. 1862. Breda, (J. G. S. van) te Haar- lem, L. a. N. 26 Oct. 1851. E. L. Oct. 185 8-. Overl. 2 Sept. 1867. Brill, (W. G.) te Utrecht, L. a. L. 24 Maart 1855. Brink, (E. C. Bakhuizen van den) te 's Gravenhage, L. a. L. 23 Febr, 1855. Overl. 15 Jidi 1865. Brown, (E.) te Londen, B. L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 10 Juni 1858. Brumund, (J. F. G.) te Batavia, C. a. L. 29 April 1854. Overl. 12 Maart 1863. Brutel de la Eivière, (P. M.) te Leiden, L. a. N. 8 Mei 1860. * Bunsen, (K. J. vonj it Bonn, ^. Ij, XII a. L. 4 Mei 1859. Overl. 28 Nov. 1860. Buys, (J. T.) te Leiden, L. a. L. 5 Mei 1867. Buijs Ballot, (C. H. D.) te UtrecU L. a. N. 26 April 1855. Buysin^, (D. J. Storm) te 's Gra- vniJuifje, L. a. N. 25 Oct. 1851. R. L. 27 'Maart 1869. Overl. 16 Auo-. 1870. C. Campbell, (M. F. A. G.) te 's Gra- venluKje, L. a. L. 29 April 1875. CandoUe, (A. de) te Genève, B. L. a. N. 8 Mei 1878. Carutti, (D.) te Rome, B. L. a. L. 8 Mei 1878. Chabas, (F. C.) te Chdlonü mr Saóne, B. L. a. L. 8 Mei 1865. Cbevalier, (Michel) te Parijs, B. L. a. L. 19 April 1855. Overl. 28 Nov. 1879. Cbys, (J. A. van der) te Batavia, C. a. L. 5 Mei 1867. ■ Clerk Maxwell, (J.) te Camhridge, B. L. a. N. 16 Mei 1877. Overl. 7 Nov. 1879. Cobet, (C. G.) te Leiden, L. a. L* 23 Febr. 1855. Bed. 8 Sept. 1856. Conestabile, (G.) te Permjia, B. L. a. L. 7 Mei 1861. Overl. 21 Juli 1877. Conrad, (F. W.) te 's GravenJuuje, L. a. N. 23 Febr. 1855. Overl. 1 Febr. 1870. Cosijn, (P. J.) te Ljeiden, L. a. L. 19 April 1877. Cremona, (L.) te Rome, B. L. a. N. 10 Mei 1881. D. Barwin; (Cbs.) te Down, Beckenham, Kent, B. L. a. N. 11 Mei 1872. David, (.1. B.) te Leuven, B. L. a. L. 5 Mei 1862. Overl. 24 Maart 1866. Delprat, (G. H. M.) te Rotterdam, L. a. L. 24 Maart 1855. R. L. 1861. Overl. 4 Jan. 1871. Delprat, (J. P.) te 's Gravenliage, L. a. N. 26 Oct. 1851. R. L. 1863. Overl. 14 Mei 1880. Dibbits, (H. C.) te Utrecht, L. a. N. 16 Mei 1877. Diesen, (G. van) te 's Gramnharje, L. a. N. 7 Mei 1866, Birks, (J.) te Leeuwarden, Ij. a. L. 5 Mei 1856. Donders, (F. C.) te Utrecht, L. a. N. 23 Febr. 1855. Dove, (H. W.) te Berlijn, B. L. a. N. 7 Mei 1861. Overl. 4 April 1879. Dozy, (F.) te Leiden, L. a. N. 23 Febr. 1855.' Overl. 7 Oct. 1856. Dozy, (R. P. A.) te Leiden, L, a. L. 23 Febr. 1855. Dumas, (J. B.) te Parijs, B. L. a. N. 26 Oct. 1851. Dumontier, (F. A. C.) te Parania- XIII riho, C. a. N. 5 Mei 1859. Bed. ' Dijk, (C. M. van) te UtrecJd, L. 8 Aug. 1860. Duruy, (V.) te Parijs, B. L. a. L. 5 Mei 1867. a. N. 23 Febr, 1855. Bed. 21 Maart 1855. E. Elias, (P.) te 's Gravenliage, L. a. N. 2 Mei 1857. R. L. 26 Sept. 1874. Overl. 22 Eebr. 1878. Engelmann, (Th. W.) te UtrecM, L. a. N. 12 Mei 1870. Ermeriiis, (E. Z.) te Groningen, L. a. N. 6 April 1855. Overl. 22 Mei 1871. Ermerins, (J. W.) te Groningen, L a. N. 2.3 Febr. 1855. E. L. 19 Eebr. 1868. Overl. 2 Maart 1869. d'Espine, (Baron A.) te Aix\ in Smoye, B. L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 7 April 1853. E. Earaday, (M.) te Londen, B. L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 25 Aug. 1867. Faure, (R. T. H. P. L. A. van Boneval) te Leiden, L a. L. 2 Mei 1868. Fleischer, (H. L.) te L.eipzig, B. L. a. L. 19 Aprü 1855. Focke, (H. C.) te Paramaribo, C. a. N. 23 Febr. 1855. Overl. 29 Juni 1856. Francliimont, (A. P. N.) te Leiden, L. a. N. 8 Mei 1879. Francken, (C. M.) te Vtrecld, L. a. L. 8 Mei 1865. Fremery, (P. J. J. de) te Utrecht, L. a. N. 23 Febr. 1855. Overl. 7 Sept. 1855. Fiiederich, (R. H. Th.) te Batavia, C. a. L. 1 Mei 1858. Gedefun- geerd 1871. Eruin, (J. A.) te Utrecht, L. a. L. 5 Mei 1867. Eruin, (R. J.) te Leiden, L. a. L. 4 Mei 1859. G. Gachard, (L. P.) te Brussel, B. L. a. L. 19 April 1855. Gauss, (C. E.) te Göttingen, B. L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 23 Eebr. 1855. Geer, (B. J. Lintelo de) te Utrecht, L. a. L. 4 Mei 1859. a. N. 26 Oct. 1851. R. L. 1878. Overl. 5 Dec. 1880. Ghijben, (J. Badon) te Breda, L. a. N. 23 Febr. 1855. R. L. 30 Juni 1868. Overh 31 Jan. 1870. Gillivry, (Th. H. Mac) te Leiden, L. a. N. 4 Mei 1875. Geuns, (J. van) te Amsterdam, L. 'Gilse, (J. van) te Amsterdam., L. XIV a. L. 4 Mei 1859. Overl. 36 Mei 1859. Glavimans, (C. J.) te Rotterdam, L. a. N. 16 Oct. 1851. Overl. 11 Aug. 1857. Godefroi, (M. H.) te 's Graveuhage, L. a. L. 2 Mei 1857. Goeje, (M. J. ,de) te Leiden, L. a. L. 3 Mei 1869. Göppext, (H. E.) te Breduu, B. L. a. N. 7 Mei 1861. Gogh., (J. van) tijdelijk te Batavia, L. a. N. 2 Mei 1857. Gorkom, (ÏC. W. van) op Java, C. a. N. llMeil872. Gedefimgeerd 1 Juli 1880. Goudsmit, (J. E.J te Leiden, L. a. L. 5 Mei 1862. Greuve, (F. C. de) te Groningen, L. a. L. 23 Febr. 1855. K. L," 6 l>ec. 1862. Overl. 28 April 1863. Grinwis, (C. H. C.)'te UtrecJit, L. a. N. 3 Mei 1869. Groen van Prinsterer, (G.) te 's Gra- venhaye, L. a. L. 23Febr. 1855. 'Bed. 27 April 1855. Grote, (G.) te Londen, B. L. a. L. 2 Mei 1857. Overl. 16 Juni 1871. Guizot, (F. P. G.) te Parijs, B. L. a. L. 19 April 1855. Overl. 12 Sept. 1874. Gunning, (J. W.) te Amsterdam, L. a. N. 4 Mei 1875. H. Haan, (D. Bierens de) te Leiden, L. a. N. 5 Mei 1856. Haan, (W. de) te Haarlem, L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 15 xVpril 1855. Habets, (J.) te Oud-Vroenhoven,'L. a. L. 21 Mei 1880. Halbertsma, (II. J.) te Leiden, L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 22 Nov. 1865. Hall, (H. C. van) te Beek in Gel- derland, L. a. N. N. 26 Oct. 1851. E. L. 1871. Overl. 12 Jan. '1874. Hall, (J. van) te UtrecJd, L. a. L. 24 Maart 1855. Overl. 19 Maart 1859. Harting, (D.) te Enkhuizen, L. a. L. 8 Mei 1860. Harting, (P.) te UtrecJd, L. a. N. 23 Febr. 1855. Hasselt, (A. W. M. van) iü'sGru- venhage, L. a. N. 5 Mei 1856, Hasskarl. (J. K.) te Batavia, C. a. N. 6 April 1855. Gedefungeerd 1859. Helmhollz, (H.) te Berlijn, B. L. a. N. 4 Mei 1859. Heremans, (J. T. J.) te Gent, B. L. a. L. 29 April 1875. Herklots, (J. A.) te Leiden, L. a. N. 2 Mei 1868. Overl. 3 Maart 1872. Herschel, (John F. W.) te Londen, B. L. a. N. 1 Mei 1858. Overl. 11 Mei 1871. Herwerden, (H. van) te UtrecJd, L. a. L. 12 Mei 1870. Heusde, (J, A. C." van) te 'sGra- venJiage, L. a. L. 1 Mei 1858. Bed. 20 Febr. 1872. Heynsius, (A.) te Ijeiden, L. a. N. 12 Mei Ï864. Hoek, (M.) te UtrecJd, L. a. N. 12 Mei 1804. Overl. 3 Sept. 1873. XV Hoekstra, Bz., (S.) te Amsterdam, L. a. L. 8 Mei 1865. Hoeven, (A. des Ainorie van der) te Amsterdam, L. a. L. 23 Febr. 1855. Overl. 29 Jiüi 1855. Hoeven, (C. Pruys van der) te a. N. 26 Oct. 1851. Auo-. 1862. Overl. 3 Leiden, L. R. L. 13 Dec. 1871. Hoeven, (J. L. a. N. van der) te Leiden, 26 Oct. 1851. Overl. 10 Maart 1868. Holfmann, (C. K.) te Leiden, L. a. N, 4 Mei 1874. Hoffmann,, (.T.) te Leiden, L. a. L. 23 Febr. 1855. K. L. 14 Febr. 1876. Overl. 19 Jan. 1878. Hoffmann von Fallersleben, (H.) Slot Corvey bij Röxter, B. L. a. L. 7 Mei 1866. Overl. 19 Jan. 1874. Hot'mann, (A. VV.) te Berlijn, B. L. a. N. 4 Mei 1859. Holle, (K. F.) te Garoet op Java, C. a. L. 8 Mei 1869. Holtius, (A. C.) te Utrecht, L. a. L. 23 Febr, 1855. K. L. 1857. Overl. 29 Maart 1861. Holwerda, (J. H.) te Voorschoten, L. a. L. 4 Mei 1859. K. L. 8 Nov. 1875. Horsfield, (Th.) te Londen, B. L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 24 Juli 1859. Hulleman, (J. G.) te Leiden, L. a, L. 5 Mei 1856. Overl. 29 Mei 1862. Humboldt, (A. von) te Berlijn, B. L, a. N. 25 Oct. 1851. Overl. 6 Mei 1859, Janssen, (L. J. F.) te Leiden, L. a. L. 23 Febr. 1855. Overl, 22 Juli 1869. Jhering, (R. von) te Göttinyen, B. L. a. L. 4 Mei 1874. Jonckbloet, (W. J. A.) te '* Oraven- hacje, L. a. L. 24 Maart 1855. Jong-, (P. de) te Utrecht, L. a. L. 29 April 1875. Jonge, (J. K. J. de) te 's Graven- hage, L. a. L. 7 Mei 1866. Overl. 15 Maart 1880. Jorissen, (Th.) te Amsterdam, L. a. L. 4 Mei 1874. Julien, (S.) te Parijs, B. L. a. L. 2 Mei 1857. Overl. 13 Febr. 1873, Junghuhn, (F. W.) te Batavia, C. a.. N. 6 April 1855. Overl. 24 April 1864. Juyiiboll, (T. W. J.) te Leiden, L. a. L. 23 Febr. 1855. Overl. 16 Sept. 1861. K. Kaiser, (F.) Ie Leiden, L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 28 Juli 1872. Kappeyne van de Coppello, (J.) te 's Gravenhage, I>. a. L. 8 Mei 1860, Karsten, (S.) te Utrecht, L. a. L. 23 Febr. 1855, Overl. 7 Mei 1864. Kemper, (J. de Bosch) te Amster- dam, L. a. L. 23 Febr. 1855. Bed. 26 Aprü 1856, XVI Kerckhoff, (P. J. van) te Utrecht, L. a. N. 5 Mei 1862. Overl. 20 Jan: 1876. Kerkwijk, (G. A. van) te 's Gra- venhage, L. a. N. 23Febr. 1855. E. L. 25 Jan. 1868. Overl. 27 Febr. 1871. Kern, (H.) te Leiden, L. a. L. 7 Mei 1866. Kinder de Camarecq, (A. W.) op Java, C. a. L. 7 Mei 1866. Gedefungeerd 1871. Kist, (N. C.) te Leiden, L. a. L. 23 Febr. 1855. Overl. 21 Dec. 1859. Knoop, (W. J.) te 's GravenJiar/e, L. a. L. 2 Mei 1857. Koenen, (H. J.) te Amsterdam., L. a. L. 23 Maart 1855. R. L. 9 Maart 1874. Overl. 13 Oct. 1874 Kolk, (J. L. C. Scliroeder van der) te UtrécJd, L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 2 Mei 1862. Korteweg, (D. J.) te Breda, L. a. N. 10 Mei 1581. Koster, (W.) te Utrecht, L. a. N. 7 Mei 1866. Kuenen, (A.) te Jjciden, L. a. L. 4 Mei 1859. Kun, (L. J. A. van der) te 'sGra- venhage, L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 26 Jan. 1864. L. Land, (J. P. N.) te Leiden, L. a. L. 11 Mei 1872. Lassen, (C.) te Bonn, B. L. a. L. 4 Mei 1859. Overl. 8 Mei 1 876. Leemans, (C.) te Leiden, L. a. L. 23 Febr. 1855. R L. 18 April 1879. Lennep, (J. van) te Amsterdam., L. a. L. 23 Pebr. 1855. Overl. 25 Aug. 1868. Lepsius, (C. R.) te Berlijn, E. L. a. L. 19 April' 1855. Levyssohn Norman, (H. D.) te Ba- tavia, C. a. L. 3 Mei 1869. Liebig, (J. von) te München, B. L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 18 Maart 1873. Lindenaii, (B. A. von) te Alten- burg, B. L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl.' 21 Mei 1855. Lo1)atto, (E.) te Belft, L. 26 Oct. 1851. Overl. 9 1866. Lorentz, (H. A.) te Leiden, N. 10 Mei 1881. LyeU, (Chs.) te Londen, B. N. 11 Mei 1872. Overl. 23 Febr. 1875. a. N. Febr. L. a. M. Macaulay, (Th. Babington) te Cam.p- ' Maier, (P. J.) te Batavia, C. a. denhill. bij Kensington, B. L. a. I N. 7 Mei 1861, Gedefungeerd L. 19 April 1855. Overl. 28 Dec. I 1878. 1859. iMatthes, (B. F.) te MaMssar, C. Madvig, (J. N.) te Kopenhagen, B. ' a. L. 7 Mei 1861. Gedefungeerd L. a. L. 19 April 1855. 30 April 1881. XVII Matthes, (C. J;) te Amsterdam., L. a. N. 26 Oct. 1851. K. L. Maart 1881. INIees, Az. (G.) te Rotterdam, L. a. L. 4 Mei 1859. E. L. 1872. Mees, (R. A.) te Groningen, L. a. N. 4 Mei 1874. Mees, (W. C.) te Amsterdam, L. a. L. 1 Mei 1858. Mesch, (A. H. van der Boon) te Leiden, L. a. N. 26 Oct. 1851. R. L. 28 Maart 1874. Overl. 12 Aug. 1874. Michaëlis, (N. T.) te 'sGravejihage, L. a. N. 8 Mei 1879. Millies, (H. C.) te UtrecJd, L. a. L. 5 Mei 1856. Overl. 26 Nov. 1868. Milne Edwards, (H.) te Parijs, B. L. a. N. 5 Mei 1862. Miquel, (F. A. W.) te ütrecJd, L. a. N. 26 Oct. 1851. Bed. 26 Juni 1857. L. a. N. 8 Mei 1860. Overl. 23 Jan. 1871. Modderman, (A. E. J.) te 'sGra- venluuje , L. a. L. 25 April 1881. Moens, (J. C. Beruelot) te Bandowj, C. a. N. 11 Mei 1878. Mohl, (H. vod) te Tiihingen, B. L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 1 April 1872. Moll, (W.) te Amsterdam, L. a. L. 24 Maart 1855. Overl. 16 Aug. 1879. Mommsen, (Th.) te Berlijn, B. L, a. L. 4 Mei 1859. Motley, (J. L.) te Londen, B. L. a. L. 5 Mei 1862. Overl. 29 Mei 1877. Mulder, (Cl.) te Groningen. L. a. N. 23 Febr. 1855. R. L. 6 Oct. 1866. Overl. 4 Mei 1867. Mulder, (Ed.) te mrecld, L. a. N. 4 Mei 1875. Mulder, (G. J.) te Bennekom, L. a. N. 26 Oct. 1851. R. L. 28 Nov. 1868. Overl. 18 Aprü 1880. MiiUer, (M.) te Oxford, B. L. a. L. 4 Mei 1874. N. Naber, (S. A.) te Amsterdam, L. a. L. 8 Mei 1865. Nöldeke, (T.) te Straatsburg, B. L. a. L. 8 Mei 1878. Numan, (A.) te UtrecJd, L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 1 Sept. 1852. Nijhoff, (Is. Au.) te Arnhem, L. a. L. 24 Maart 1855. Overl. 20 Juni 1863. O. Omalius d'Halloy, (J. J. d') te Ciney, B. L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. Eebr. 1875. Oordt, (J. W. L. van) te 's Graveu- hage, L. a. N. 23 Eebr. 1855. R. L. 1876. Jaaeboek 1881.' Opzoomer, (C. W.) te UtrecJd, L. a. L. 5 Mei 1856. Ortt, (J. R. T.) te Haarlem, L. a. N. 12 Mei 1870. Oudemans, Jr., (A. C.) te Delft, L. a. N. 3 Mei 1869. B xvm Oüdemans, (C. A. J. A.) te Am- sterdam, L. a. N. 1 Mei 1858. Oüdemans, (J. A. C.) te JJtreclit, L. a. N. 6 April 1855. Owen, (R.) te Londen, B. L. a. N. 26 Oct. 1851. Pinto, (A. A. de) te 's Gravenhage, L. a. L. 19 April 1877. Place, (T.) te Amsterdam, L. a. N. 4 Mei 1875. Plateau, (J.) te Gent, B. L. a. N. 11 Mei 1872. Pluygers, (W. G.) te Leiden, L. a. L. 12 Mei 1864. Bed. 9 Maart 1867 • Q- Quack, (H. P. G.) te Amsterdam, L. a. L. 19 April 1877. Qiietelet, (L. A. J.) te Brtissel, B. L. a. N. 26 Oct. 16 Febr. 1874. 1851. Overl. R._ Rangabé, (A. E.) te Athene, B. L. a. L. 2 Mei 1857. Ranke, (L.) te Berlijn, B. L. a. L. 19 April 1855. Rauwenhoff, (N. W. P.) te Utrecht, L. a. N. 1 Mei 1863. Rawlinson, (H. C.) te Londen, B. L. a. L. 4 Mei 1859. Rees, (O. van) te Utrecht, L. a. L. 7 Mei 1866. Overl. 24 Mei 1868. Rees, (R. van) te Utrecht, L. a. N. 26 Oct. 1851. R. L. 24 Mei 1867. Overl. 23 Aug. 1875. Regnault, (V.) te Parijs, B. L. a. N. 8 Mei 1860. Overl. 19 Jan. 1878. Reinwardt, (C. G. C.) te Leiden, R. L. a. N. 25 Oct. 1851. Overl. 6 Maart 1854. RévUle, (A.) te Parijs, L. a. L. 5 Mei 1862. Gedefungeerd 10 Maart 1873. B. L. a. L. 10 Mei 1873. Riemsdijk, (A. D. van) te Utrecht, L. a. N. 10 Mei 1881. Roorda, (T.) te Leiden, L. a. L. 13 Febr. 1855. R. L. 1871. Overl. 5 Mei 1874. Rosé, (W. N.) te 's Gravenhage,!^. a. N. 26 Oct. 1851. R. L. 1872. Overl. 12 Oct. 1877. Rossi, (G. B.) te B.ome, B. L. a. L. 19 April 1877. Rost van Tonningeu, (D. W.) te Cheribou (op Java), C. a. N. 7 Mei 1861. Gedefungeerd 1877. Roulez, (J.) te Gent, B, L. a. L. 2 Mei 1857. Overl. 16 Maart 1878. Rueb, (A. S.) te Utrecht, L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 11 Maart 18.54. Rutgers, (A.) te 's Gravenhage, L. a. L.-28 Pebr. 1855. R. L. 12 April 1875. Bed. 21 Sept. 1877. Rijk, (.J. C.) te 's Gravenhage, R. L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 2 Mei 1854. Rijke, (P. L.) te Leiden, L. a. N. 1 Mei 1863. XIX s. Sagra, (Kamoii de la) te Parijs, B. L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 25 Mei 1871. Sande Lacoste, (C. M. van der) te Amsterdam, L. a. N. 3 Mei 1869. Savigny, (F. von) te Berlijn, B. L. a. L. 19 April 1855. Overl. 25 Oct. 1861. ScheflFer, (J. G. de Hoop) te Am- sterdam, L. a. L. 11 Mei 1872. Scheffer, (R. H; C. C.) te Bidten- zoTfj, C. a. N. 8 Mei 1878. Overl. 9 Maart 1880. Schlegel, (G.) op Java, C. a. L. 10 Mei 1873. Bed. 15 Oct. 1877. ScMegel, (H.) te Leiden, L. a. N. 23 Febr. 1855. R. L. 1874. Schneevoog-t, (G. E. Voorhelm) te Amsterdam, L. a.- N. 23 Febr. 1855. Overl. 17 Aug. 1871. Schols, (Ch. M.) te Ddft, L. a. N. 5 Mei 1880. Scholten, (J. H.) te Leiden, L. a. L. 5* Mei 1856. Sebastian, (A. A.) te Amsterdam, L. a. N. 23 Febr. 1855. Bed. 17 Dec. 1856. Seelig, (H. G.) te Breda, L. a. N. 23 Febr. 1855. R. L. 1856. Overl. 3 Oct. 1864. Selenka. (E.) te Leiden, L. a. N. 10 Mei 1873. Bed. 28 Maart 1874. Simons, (G.) te 's Gravenhage, L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 17 Nov. 1868. Six, (J. P.) te Amsterdam, L. a, L. 5 Mei 1862. Sloet, (L. A. J. W.) te Arnhem, L. a. L. 5 Mei 1856. R. L. 28 Maart 1876. Stamkart, (F. J.) te Amsterdam, L. a. N. 26 Oct. 1851. R. L. 27 Maart 1875. Staring, (W. C. H.) op de Boek- horst bij Lochem, L. a. N. 23 Febr. 1855. Overl. 4 'Juni 1877. Stieltjes, (T. J.) te Rotterdam, L. a. N. 2 Mei 1868. Overl. 23 Juni 1878. Stokvis, (B. J.) te Amsterdam, L. a. N. 8 Mei 1879. Stratingh, (G. Acker) te 'Groningen, L. a. L. 7 Mei 1861. R. L. 12 April 1875. Overl. 22 Oct. 1876. Struve, (O.) te St. Petershurg, B. L. a. N. 4 Mei 1874. Sluart, (A. B. Coheu) te Batavia, C. a. L. 2 Mei 1868. Overl. 4 Febr. 1876. Stuart, (L. Cohen) te i)é;Z/4 L. a, N. 8 Mei 1865. Overl. 24 Juli 1878. Studemund, (G.( te Straatsburg, B. L. a. L. 16 Mei 1880. Siu-ingar, (W, F. R.) te Leiden, L. a. N. 5 Mei 1861. Swaving, (C.) te Buitenzorg, (op Java), C. a. N. 23 Febr. 1855. Gedefungeerd 1874. T. Tellegen, (B. D, H.) te Groningeti, L. a. L. 3 Mei 1869. Temminck, (C. J.) te Leiden, R. L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 30 Jan. 1858. Teysmann, (J. E.) te Buitenzorg B* XX (op Java), C. a. N. 8 Mei 18fi5. Theiner, (A.) te Rome, B. L. a. L. 4 Mei 1859. Overl. 10 Aug. 1874. Thomson, (W.) te Glasf/oiv, B. L. a. N. 4 Mei 1874. Tideman, (B. J.) te Amnterdam, L. a. N. 10 Mei 1873. Tiedeinann, (F.) te Münclttn, B. L. a. N. 26 Oct, 1851. Overl. 23 Jan. 1861. Treub, (M.) tijdelijk te Buiten- zor(j (op Java), L. a. N. 8 Mei 1879. Tuuk, (H. Neubronner van der) op Bali, C. a. L. 2 Mei 1868. U. Ullmann, (C.) te Ca.rUrulie, B. L. a. L. 19 April 1855. Overl. 12 Jan. 1865. Ursel, (de Hertog van) te Bnissel, B. L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 27 Sept. 1860. V. Verbeek, (E. T). ]M.) te Vadanq. C. a. N. 8 Mei 1878. Verdam, (G. J.) te Leiden, L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 29 Oct. 1866. Verloren, (M. C.) te Amersfoort, L. a. N. 2 Mei 1857. Verwijs, (E.) te Arnhem, L. a. L. 3 Mei 1869. Overl. 28 Maart 1880. Veth, (P. J.) te Leiden, L. a. L. 8 Mei 1855. Virchow, (R.) te Verlijn, B. L. a. N. 8 Mei 1860, Vissering, (S.) te 's Gravenliage, L. a. L. 7 Mei 1861. Vogelsang, (H.) te Delft, L. a. N. 2. Mei 1868. Overl. 6 Juni 1874." Vollenhoven, (S. C. Snellen van) te 's Gravenliage, L. a. N. 8 Mei 1860. E. L. 31 Jan. 1880. Overl. 22 Maart 1880. Vosmaer, (C.) J;e 'sGravenhar/e, L. a. L. 11 Mei 1872. Vries Az., (G. de) te 's Graven- hrnje, L. a. L. 2 Mei 1857. Vries, (H. de) te Amsterdam, L. a. N. 8 Mei 1878. Vries, (M. de) te Leiden, L. a. L. 23 Febr. 1855. Vriese, (W. H. de) te Jjeiden, L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 23 Jan. 1862. Vrolik, (G.) te Amsterdam, E. L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 10 Nov. 1859. Vrolik, ( W.) te Amsterdam, . L. a. N. 26 Oct. 1851. Overl. 22 Dec. 1863. W. Waals, (J. D. van der) te AmMe7--\y^'a\, (J. de) te Beventer, L. a. L. dam, L. a. N, 4 Mei 1875. | 24 Maart 1855. XXI Wassink, (G.) to llatavia, C!. a. N. 3 Mei 1S57. Overl. 17 Oct. 1864. Weber, (W.) te Göüiwjen, B. L. a. N. 2 Mei 1868. Willigen, (V. S. M. van der) te Haarlem, L, a. N. 2 Mei 1857. Overl. 19 Febr. 1878. Windsclieid, (B.) te Leipzüj, B. L. a. L. 16 Mei 1880. Winkel, (L. A. te) te Leiden, L. a. L. Mei 1861, Overl. 24 April 1868. Wöhler, (F.) te Güttingen, B L. a. J^; 4 Mei 1875. Wijck, (B. H. C. K. van der) te Oromn(/eu, L. a. L. 3 Mei 1869. Zaaijer, (T.) te Leiden, L. a. N. 4 Mei 1874. Zeeman (J.) te Amsterdam, L. a. N. 11 Mei 1870. L IJ S T BINNEN- EN BUITENLANDSCHE AKADEMIËN, GELEERDE GENOOTSCHAPPEN EN IIN STELLINGEN, WAAllMEDE DE KONINKLIJKE AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN DOOE RUILING DER UITGEGEVEN WERKEN IN VERBINDING IS. NEDERLAND. Universiteit, te Leiden. Utrecht. Groningen. Amsterdam. School, (Polytechnische) te Delft. Akademie, (Koninklijke MiUtaire) te Breda Maatschappij (Hollandsche) der Wetenschappen, te Haarlem. der Nederlandsche Letterkunde, te Leiden. (Nederlandsche) ter bevordering van Nijverheid, te Haarlem. ter bevordering der Bouwkunst, te Amsterdam. Genootschap (Teyler's tweede), te Haarlem. (Zeeuwsch) der Wetenschappen, te Middelburg. (Provinciaal Utrechtsch) van Kunsten en Weten- schappen, te Utrecht. (Historisch), gevestigd te Utrecht. -^ (Bataafsch) der proefondervindelgke Wijsbegeerte, te Rotterdam. XXIII Genootschap (Provinciaaly van Kunsten en " Wetenschappen in Noord-Brabant, te 's Hertogenbosch. — (Wiskundig) onder de zinspreuk: Een onver- moeide arbeid komt alles te boven, ie Amsierdum. : (Koninklijk Zoölogisch): Natura Artis Magistra, te Amsterdam. ter bevordering van Natuur-, Genees- en Heel- kunde, te Amsterdam. (Friesch) voor GescHedr, 'Oudheid- en Taalkunde, te Leeuwarden. (Provinciaal) voor Geschiedenis en Oudheidkunde in Limburg, te Maastricht. Instituut (Koninklijk)^ van Ingenieurs, te . 's Gravenhage. voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Neêrlandsch Indië, te Delft. '—, (Koninklijk Nederlandsch Meteorologisch) te Utrecht. Vereeniging, (Nederlandsche Entomologische) te Leiden. (Overijsselsche) tot ontwikkeling van provinciale welvaart, te Zwolle. Tijdschrift (Nederlandsch) voor Geneeskunde, te Amsterdam. Maatschappij (Nederlandsche) tot bevordering der Geneeskunst, te Amsterdam. Vereeniging voor Volksvlijt, te Amsterdam. Handelmaatschappij, (Nederlandsche) te Amsterdam. Boekerij van . de Tweede Kamer der Staten-Generaal, te 's Gravenhage. Bibliotheek (Provinciale) van Friesland, te Leeuwarden. , (Openbare) te Arnhem. Boekerij, (Stedelijke) te Zutphen. Bibhotheek, (Stedelijke) te Deventer. te Haarlem. (Provinciale) te Middelburg'. Leesmuseum, te Amsterdam. Leeskabinet, (Rotterdamsch) te Rotterdam. Vereeniging, (Nederlandsche dierkundige) te Leiden. Sterrenwacht, te Leiden. XXIV Landbouwscliool, ('s Rijks) te Wageningen. O O S T - 1 N D -I Ë.